Andere religies geen vijanden, maar wat dan? #lazarustour

Hoe zit het met mensen die een andere religie aanhangen? En hoe gaan we als christenen met hen om? Het is een van de tien vragen waar Brian McLaren op ingaat in zijn boek Een nieuw christendom. Lees hier alvast een gedeelte ervan in voorbereiding op onze Lazarustour, waarin we een avond aan dit thema wijden.  

Vanmorgen zijn we opnieuw wakker geworden in een wereld waar christenen, moslims en Joden (samen met aanhangers van allerlei andere religies) elkaar of doden of manieren bedenken om elkaar te doden, en velen geloven dat ze daarmee God gehoorzamen en hem zelfs een plezier doen en eer bewijzen.

Elke groep wijst naar een van de andere als de grootste boosdoener en de groep waarnaar gewezen wordt, heeft de neiging terug te wijzen. Wie de grootste misdadiger ook mag zijn, de moeilijkheden en mogelijkheden van dit moment delen we – en de verantwoordelijkheid om die om te buigen naar een betere toekomst ook.

Christenen van allerlei soort vormen samen zo’n 33 procent van de wereldbevolking. Moslims in totaal ongeveer 24 procent, en Joden minder dan een kwart van een procent, maar in het licht van hun lijden in het verleden hoeft het niemand te verbazen dat het aantal wapens dat ze dragen daartoe niet toe in verhouding staat. Bij elkaar opgeteld behoort meer dan de helft van de wereldbevolking tot een van de abrahamitische geloofsopvattingen.

Als christenen, moslims en Joden elkaar het mes op de keel zetten is niemand in de wereld veilig. En als het christelijke, islamitische en joodse geloof in een schepper God meer geweld ingeeft dan vrede, dan verliezen alle drie de religies bestaansgrond terwijl ze met modder naar elkaar gooien.

Dit is niet slechts een religieuze vraag

Geen wonder dat ik, waar ik ook kom tijdens mijn reizen, de meeste vragen krijg over religieus pluralisme, vooral van jongeren. Christenen lijken tegenstrijdige gevoelens te koesteren als ze deze vragen stellen. Aan de ene kant lijken ze te verlangen naar een minder vijandige benadering van andere religies. Ze voelen zich niet op hun gemak bij de winnaar-verliezer-, ‘wij of zij’-denkrichting die ze van huis uit hebben meegekregen, omdat ze weten dat deze denkwijze maar al te gemakkelijk verwordt tot vooroordeel, ontmenselijking en geweld jegens elkaar.

Maar ze voelen zich ook niet prettig bij de ‘Wat je gelooft maakt niet uit, zolang het je maar meent’-benadering. Zoals de eerste opvatting externe angst, wrok en zelfs haat voedt jegens ‘hen’, zo ondermijnt de laatste interne toewijding en identiteit onder ‘ons’. Ik deel deze ambivalente gevoelens, omdat ik denk dat beide een wezenlijk gevaar vormen.

Op onze zoektocht naar een nieuw soort christendom moeten we dus aandacht besteden aan deze cruciale vraag naar een christelijke benadering en houding jegens mensen met andere religies, in het besef dat dit niet slechts een religieuze vraag is. De vraag heeft diepe politieke, militaire en humanitaire implicaties, en met het antwoord op deze vraag staan miljoenen mensenlevens op het spel. Theologen, kerkleiders, predikanten en andere religieuze leiders vergeten helaas maar al te vaak dat hun werk, als ze het serieus nemen, letterlijk een zaak van leven of dood wordt.

We moeten beginnen met een bekentenis

Als we aan de juiste kant van de scheidslijn tussen leven en dood willen komen, moeten we beginnen met nuchter, oprecht, ouderwets berouw. We moeten beginnen met deze bekentenis: het christendom heeft een misselijkmakende, boosmakende, deprimerende staat van dienst als het gaat om de ontmoeting met andersgelovigen (en dat is niet veel beter als het gaat om de ontmoeting met mensen die een ander soort christendom aanhangen).

Het is niet fijn om dit te zeggen, omdat de meeste christenen onder ons heel aardig zijn, en omdat het niet in ons opkomt om bekering af te dwingen met de punt van een zwaard, ongelovigen te isoleren of de religieus ander te mijden of te laten lijden, om maar te zwijgen over het meedoen aan pogroms, genocides, marteling of executeren vanwege religieuze ontrouw. Maar deze dingen hebben plaatsgevonden, en niet slechts enkele keren.

Neem het verhaal van de westwaartse uitbreiding in de zogenaamde christelijke naties van Noord-Amerika in relatie tot de oorspronkelijke bevolking, of de behandeling van Aboriginals en Maori in Australië en Nieuw-Zeeland, of het verhaal van Pizarro en Atahualpa in de Andes van Zuid-Amerika. Neem de aanhoudende, wrede, catastrofale oorlogsvoering tussen katholieken en protestanten in Europa tussen 1618 en 1648. Neem de inquisitie en de heksenverbrandingen en kruistochten. Neem rassenscheiding en apartheid en de recenter in de Verenigde Staten en op andere plekken toenemende vijandelijkheid onder sommige christenen jegens moslims.

Het is geen fraai beeld, en de bewering dat deze aanvallen op de ander geïsoleerde incidenten waren, begaan door een paar rotte appels in de mand, riekt naar stompzinnigheid en ontkenning, niet eerlijkheid en berouw.

Wat zegt de bijbel?

Hoe vinden we dus een betere benadering van de andersgelovige op onze zoektocht naar een nieuw soort christendom? We zouden kunnen beginnen door de Schrift te onderzoeken. We zouden kunnen kijken naar Johannes 1:9; 3:17 en 12:32, om maar te zwijgen van 21:22, waar Jezus een vraag over iemands geestelijke status beantwoordt met de woorden: ‘Het is niet jouw zaak. Volg jij mij!’ We zouden vervolgens kunnen kijken naar Paulus’ brief aan de Romeinen.

In 2:1-29 maakt Paulus duidelijk dat mensen nooit geoordeeld worden op basis van kennis die ze niet hebben, en dat God iedereen die het goede doet zal zegenen met ‘glorie, eer en vrede… God maakt geen onderscheid.’ Hij voegt eraan toe dat als mensen van andere religies ‘de wet niet hebben, [maar] de wet van nature naleven, … zichzelf tot wet [zijn], ook al hebben ze hem niet. Ze bewijzen door hun daden dat wat de wet eist in hun hart geschreven staat; en hun geweten bevestigt dit, omdat ze zichzelf met hun gedachten beschuldigen of vrijpleiten.’

We zouden ook een blik kunnen werpen op Romeinen 5:12-21 waar Paulus zegt dat Jezus’ gehoorzaamheid even verstrekkende gevolgen zal hebben als de ongehoorzaamheid van Adam, en ‘allen’ zal bereiken, want ‘waar de zonde toenam, werd ook de genade steeds overvloediger’. En in 11:25-36, zoals we zagen in hoofdstuk 15, lijkt Paulus bijna verbaasd te zijn over zichzelf als hij tot deze conclusie komt: ‘God heeft ieder mens uitgeleverd aan de ongehoorzaamheid, opdat hij voor ieder mens barmhartig kan zijn’.

We zien Paulus’ denkwijze ook in 2 Korintiërs 5 waar hij zegt dankzij Christus’ sterven voor allen (5:14-15) God de wereld haar overtredingen niet aanrekent (5:19) – let op, niet slechts de overtredingen van christenen, maar die van heel de mensheid. Dit besef zet ons ertoe aan, zo zegt Paulus, om anderen op een nieuwe manier te zien – inclusief, ongetwijfeld, anderen met andere religies. De traditionele wij-zij-categorieën worden op vergelijkbare wijze betwist in 1 Johannes: niet degenen die onze geloofsbelijdenis delen, maar degenen die doen wat goed is en slechts laten zien dat ze Gods kinderen zijn (2:29; 3:7); degenen die liefhebben laten zien dat ze van de dood overgegaan zijn naar het leven en deel uitmaken van Gods gezin (3:14; 3:24; 4:7; 4:16–21).

De rechtvaardige buitenstaander

We zouden het thema kunnen volgen van de ‘rechtvaardige buitenstaander’ in de Hebreeuwse Schrift. ‘Buitenstaanders’ zoals Melchizedek, Jetro, Rachab, Ruth, Uria en verschillende anderen blijken rechtvaardiger en godvruchtiger te zijn dan de religieuze ingewijden. De Schriften bagatelliseren hun goedheid niet, maar geven daar eerder hoog van op. Het verhaal van Jona poetst het kwaad van de religieus ingewijden niet op en zwakt de goedheid van de buitenstaanders (zoals de matrozen die geen kwaad willen doen, ook al loopt hun leven gevaar) niet af, en prijst het medelijden van God met ‘onze’ vijanden.

We kunnen denken aan hoe Salomo, toen hij op het punt stond om de majestueuze tempel die hij had gebouwd aan God toe te wijden, zich bewust was van de beperkingen van het gebouw en expliciet bad voor de ‘vreemdeling die niet tot [Gods] volk Israël behoort’. Hij wilde dat de tempel mensen met een andere achtergrond zou verwelkomen en niet zou afstoten, dat die voor hen een brug zou zijn, geen barrière, om God te leren kennen (2 Kron. 6:32-33).

We zouden onze bijzondere aandacht kunnen richten op de geschriften van de profeten, zoals Amos, waar de Heer zegt: ‘Zijn jullie voor mij soms meer dan de Nubiërs, Israël? – spreekt de HEER. Ik heb jullie uit Egypte weggeleid, maar ook de Filistijnen uit Kreta en de Arameeërs uit Kir’ (9:7). Ja, God bevrijdde en leidde het Joodse volk, maar dat moest hen niet trots maken alsof ze een of andere elitestatus hadden, want God had ook de Ethiopiërs, Filistijnen en Arameërs geleid en beschermd.

Ik zou speciaal letten op de context waarin Jesaja zegt dat Gods gedachten en wegen hoger zijn dan onze wegen (55:8-9). In de context verwijst Jesaja naar Gods verlangen om buitenstaanders te verwelkomen – ‘Ook jij zult een volk ontbieden dat je nog niet kende en een volk dat jou nog niet kende’ (55:5). Gods hogere gedachten en wegen overstijgen onze arrogante, buitensluitende, lage, religieuze superioriteit en stamgedrag, en God nodigt ons ook uit om dat achter ons te laten. Daar kunnen we nog alle Schriftgedeelten bij optellen waarin staat dat God niemand bevoorrecht.

Het wij-zij denken aan diggelen

We zouden kunnen gaan naar het boek Handelingen om te zien hoe Paulus een vergelijkbare overtuiging onder woorden brengt in een gesprek dat hij had in Athene, waarin hij zegt: God die de wereld heeft gemaakt en alles wat er leeft … heeft … de hele mensheid gemaakt, die hij over de hele aarde heeft verspreid; voor elk volk heeft hij een tijdperk vastgesteld en hij heeft de grenzen van hun woongebied bepaald. Het was Gods bedoeling dat ze hem zouden zoeken en hem al tastend zouden kunnen vinden, aangezien hij van niemand van ons ver weg is. Want in hem leven wij, bewegen wij en zijn wij. Of, zoals ook enkele van uw eigen dichters hebben gezegd: ‘Uit hem komen ook wij voort.’ (17:24-28)

In die paar woorden gooit Paulus het typische Grieks-Romeinse wij-zij-denken aan diggelen (en de overeenkomstige, westerse, christelijke wij-zij-denkwijze). Mensen van elke taal, cultuur en religie krijgen een plek in Gods wereld, en geen enkel volk krijgt toestemming om anderen te verpletteren, uit te roeien, te overheersen of aan zich te onderwerpen.

Door dit te doen, verenigt Paulus iedereen onder een enkel ‘wij’ – mensen geschapen door God, mensen die het door God gegeven recht hebben op leven en land, mensen die worden uitgenodigd om God te zien daar waar zij zich bevinden, mensen voor wie God al dichtbij is, mensen die al leven en bewegen en zijn in God, mensen die al Gods kinderen zijn. We zouden ook terug kunnen gaan naar de eerste roeping van Abraham in Genesis 12, waarbij we erop letten dat God niet enkelen kiest om velen uit te sluiten, maar enkelen om velen tot zegen te zijn.

We zouden ten slotte ook moeten kijken naar Jezus en veel aandacht besteden aan, laten we zeggen, zijn houding jegens een Samaritaanse vrouw, een Romeinse hoofdman, een SyroFenisische vrouw, of enkele Grieken die hem wilden zien en naar Andreas en Filippus gingen. We zouden zelfs kunnen kijken naar Jezus’ geboorte in Matteüs, erop lettend hoe de wijzen – wat wij New-Agegelovigen zouden noemen – getrokken worden tot Jezus door hun eigen religieuze kunsten. Schandalig!

Eenvoudige lessen van naastenliefde

Als mij tijdens mijn reizen wordt gevraagd naar pluralisme, dan ga ik meestal terug naar Jezus’ eenvoudige lessen van naastenliefde, zoals de samenvatting van de wet, waarbij ik iets zeg als dit: ‘Onze eerste verantwoordelijkheid als volgelingen van Jezus is om mensen van andere religies met hetzelfde respect te behandelen als wij zouden willen ontvangen. Als je vriendelijk en respectvol omgaat met volgelingen van andere religies dan ben je niet ontrouw aan Jezus; je bent trouw aan hem.’

Vervolgens vraag ik hun hoe zij zouden willen dat mensen van andere religies hen zouden behandelen. Meestal zeggen ze dingen als: ‘Ik zou willen dat ze mijn geloof respecteerden, er interesse in toonden en er meer over leerden, het niet voortdurend zouden aanvallen, dat ze dingen zouden vinden waar ze het mee eens zouden zijn en dat ze het, waar nodig, op een respectvolle manier oneens zouden zijn met mij – zonder dat door onenigheid de vriendschap wordt beschadigd –, dat ze hun eigen geloof met mij deelden zonder mij onder druk te zetten om me te bekeren, me uit zouden nodigen om mijn geloof met hen te delen, dat ze mij een plek zouden geven in hun sociale leven zonder dat ik me een buitenbeentje voel’, enzovoorts. Na elk antwoord, zeg ik meestal: ‘Klinkt fantastisch. Doe dan voortaan net zo.’

Maar dan grijpt er meestal iemand naar Johannes 14:6, alsof hij z’n revolver in een flits uit zijn holster trekt. ‘Maar zei Jezus niet dat hij de weg, de waarheid en het leven was en de enige weg tot de Vader?’ vraagt men, implicerend dat als Jezus de ‘enige weg’ is, we geen Christusachtige liefde en respect kunnen tonen aan onze naasten en andere tradities. Als dat gebeurt, vraag ik me af: ‘Waarom schuiven zo veel oprechte en goed opgeleide christenen met de beste bedoelingen honderden andere bruikbare teksten terzijde en trekken ze deze eruit? Waarom reageren ze op dit onderwerp met hetzelfde scenario, met een soort van citaatreflex, alsof er met een rubberen hamertje op hun knieschijf getikt wordt?’

Het Grieks-Romeinse denken

Het antwoord, zo ben ik gaan geloven, is dat deze pluraliteitsvraag – over ruimte scheppen voor ‘de ander’ in een wereld vol geloofsopvattingen – een cruciaal spanningsveld raakt tussen het denken van Jezus en het Grieks-Romeinse denken. We zijn zo goed onderwezen in het Grieks-Romeinse denken, dat de weinige tekstgedeelten die het best geciteerd kunnen worden (of verkeerd geciteerd) om die te versterken, degenen zijn die het best geprogrammeerd zijn in onze reactiereflexen, waarmee we duizenden andere passages meteen onzichtbaar maken, als onbelangrijk afdoen of volledig negeren.

Minstens vier karakteristieken van het Grieks-Romeinse imperiale denken dragen bij aan dit probleem. Allereerst bevind je je als Grieks-Romein in een heersende positie, waardoor je als vanzelf bezorgd bent. Als de groep die boven aan de succesladder staat, heb je de grootste angst om te vallen. Je bent altijd bezorgd over wat je zult eten, wat je zult drinken en hoe je je zult kleden.

Je bent altijd op zoek naar meer, meer, meer – meer geld, meer land, meer invloed, meer macht, meer genot, omdat je gelooft dat een klein beetje meer ervoor zal zorgen dat je positie aan de top is veiliggesteld en dat je bezorgdheid voor eens en altijd zal zijn verdreven (Als je Grieks-Romein bent, denk je dat dit een normale, universele, menselijke uitingsvorm is.) Maar net als bij een shotje extra crack of heroïne, duurt dat gevoel nooit voort.

Ten tweede maakt je voortdurende bezorgdheid je kwetsbaar voor paranoia. ‘Zij’ zijn geen naasten; ze zijn vijanden omdat ze een bedreiging vormen – ze dingen mee naar jouw deel van de winst, ze vormen een bedreiging voor jouw stabiele regime, zijn obstakels voor jouw door bezorgdheid gedreven strategieën. Dus wordt de wereld automatisch verdeeld in de beschaafde ‘wij’ en barbaarse ‘zij’, in ‘goede’ ingewijden en ‘slechte’ buitenstaanders.

Ten derde, als je leeft met Grieks-Romeinse bezorgdheid en paranoia, heb je slechts één logisch verlangen voor de toekomst: een wereld (hier of na de dood) waar ‘zij’ voorgoed zijn verdwenen en waar ‘louter wij’ zijn overgebleven. Je kunt je simpelweg geen toekomst voorstellen met harmonieuze diversiteit en vriendschappelijk anders zijn; de ander moet verbannen worden of verdwijnen. Uiteindelijk is dus jouw groep de norm die hier hoort; anderen zijn abnormaal en horen er niet bij. Ze hebben niet hetzelfde recht op bestaan als jij. Dus als het over ‘hen’ gaat, dan heb je slechts vijf opties:

  • Je kunt ze bekeren en onderwerpen, zodat ‘zij’ gaan horen bij ‘ons’ en hun anders-zijn uitgebannen wordt.
  • Je kunt ze koloniseren en overheersen, ‘hen’ onderdanig maken aan ‘ons’ en misschien zelfs bruikbaar voor ‘ons’, waardoor ze minder een bedreiging vormen.
  • Je kunt ze negeren, uitsluiten of je op een andere manier van hen distantiëren, waardoor je ‘hen’ en ‘ons’ ver uit elkaar houdt.
  • Je kunt tegen ‘hen’ vechten, ze vervolgen, te schande maken en van hun stuk brengen en intimideren.
  • Je kunt de wereld ‘zuiveren’ van hen door massamoord, waardoor alleen ‘wij’ overblijven.

Ten vierde, als je gedreven wordt door economische bezorgdheid, sociale paranoia en een onbewust verlangen om te onderwerpen, domineren, elimineren, vervolgen of distantiëren, dan is het leven een grote, eindeloze oorlog. Bij ons leger is er goedheid, beschaving, redelijkheid, absolute en allerhoogste waarheid, liberale vooruitgang, conservatieve trouw (vormen van liberalisme en conservatisme bevinden zich in de twee hersenhelften van hetzelfde Grieks-Romeinse brein).

In het leger van ‘hen’ is er kwaad, chaos, misleiding, relativisme en nihilisme, liberale omhelzing van moreel verval en conservatief behoud van oude bijgelovigheid. Omdat alles op het spel staat in dit zware gevecht tussen ons als macht en hen, zijn alle middelen geoorloofd in het heetst van de strijd.

Hardnekkig probleem met pluralisme

Blaise Pascal zei: ‘Is er iets dwazer dan dat een mens het recht heeft om mij te doden, omdat hij aan de andere kant van een rivier woont en zijn vorst ruzie heeft met de mijne, hoewel ik met hem geen ruzie heb gemaakt?’ Maar die dwaasheid is wijsheid in de Grieks-Romeinse geest. Misschien snap je nu dat als je het christendom ooit zo zou herzien zodat het in de Grieks-Romeinse denkwijze paste, het iets totaal anders zou kunnen worden dan wat Jezus in gedachten had, en iets heel gevaarlijks. Misschien ben je het ook met me eens dat dit exact is wat er is gebeurd.

Het christendom heeft een hardnekkig probleem met pluralisme, niet dankzij Jezus of zijn Joodse wortels, maar dankzij de Grieks-Romeinse krijgsgevangenschap ervan. Psychologen en sociologen hebben krachtige syndromen ontdekt waarbij voormalige slachtoffers later daders worden en waarbij voormalige gijzelnemers zich uiteindelijk identificeren met hun gijzelaars. Wij zouden kunnen stellen dat na eeuwen vervolging door de Romeinen het christendom ten prooi is gevallen aan dit syndroom en er nog niet van genezen is.

Grootgebracht binnen de Grieks-Romeinse geloofstraditie voelt een toenemend aantal christenen onder ons zich als Petrus na de kruisiging: we delen in een massaal verraad van onze Heer. Wat zal er nu gebeuren? Zullen we in ongenade worden weggestuurd? Of zullen we met Petrus worden uitgenodigd om berouw te tonen en terug te keren tot onze oorspronkelijke roeping in het koninkrijk van God – om voor mensen te zorgen, ze te voeden en naar hen om te zien in plaats van te proberen hen te overwinnen, domineren en overheersen?

Imperialistische krijgsgevangenschap

Gelukkig weten we dankzij Petrus’ ervaring wat we kunnen verwachten. En dat is goed nieuws vanwege minstens twee redenen. Allereerst, ondanks al zijn gebreken (die we niet moeten onderschatten) is de Grieks-Romeinse versie van het christelijk geloof van onschatbare geestelijke waarde (dat moeten we ook niet onderschatten) en blijft ze het redden meer dan waard. Een nederige, berouwvolle, herboren religie heeft vast en zeker meer waarde voor de wereld dan of een arrogante, onbetwiste versie of een onschuldige, naïeve variant.

Ik zou dus liever zien dat het christendom vernederd, hersteld en bevrijd wordt van zijn imperialistische krijgsgevangenschap, dan in opspraak gebracht, beschadigd en terzijde geschoven. (Hetzelfde zou ik kunnen zeggen over alle andere religies.)

En ten tweede bezitten mijn medechristenen die opgegroeid zijn in verschillende varianten van Grieks-Romeins christendom het grootste deel van de rijkdom van de wereld, verbruiken ze de meeste bronnen van de wereld en produceren ze het meeste afval ter wereld en kopen en gebruiken ze de meeste wapens ter wereld. Zoals ik eerder al zei, toont een recente studie uit de Verenigde Staten aan dat bepaalde soorten Grieks-Romeinse christenen sterk geneigd zijn om door de staat bevorderde marteling te ondersteunen en andere studies hebben aangetoond dat ze meer geneigd zijn tot racisme dan hun nietreligieuze buren.

Als we dus geen berouw tonen over onze imperialistische, koninkrijk-van-deze-wereld-manieren en ons met vaste tred in de richting van Jezus’ weg begeven, vrees ik voor wat we in de toekomst zullen doen, vooral in het licht van wat we in het verleden hebben gedaan.

Een groter ‘wij’ ontdekken

Bedenk eens wat er allemaal zou veranderen, als we ons kunnen bevrijden uit het Grieks-Romeinse zielscheidingsverhaal. Wij christenen zouden Jezus (niet het christendom) kunnen aanbieden als geschenk aan de wereld, en we zouden het niet langer zien als onze plicht om andere godsdiensten beledigen of hun oprichters duivels noemen. We zouden niet langer uitzien naar de dag waarop alle andere religies vernietigd zouden worden en wij alleen overeind zouden blijven. We zouden onszelf niet langer als normaal zien en anderen als ‘vreemd’.

We zouden ermee ophouden om de lijn te zien die goed en kwaad van elkaar scheidt en die loopt tussen onze religie en alle andere. We zouden bevrijd zijn van de neiging om altijd te denken in ‘ingewijdene/buitenstaander’ en ‘wij/zij’. We zouden God leren zien in de ander en we zouden een groter ‘wij’ ontdekken, waartoe mensen van alle religies kunnen behoren.

We zouden het zien als een kwestie van trouw om andere religies en hun oprichters met hetzelfde respect te bejegenen als wij zelf graag zouden ontvangen. We zouden uitzien naar een dag waarop leden van alle godsdiensten, inclusief de onze, leerden om zich te verzoenen met God, elkaar en heel de schepping. We zouden zien dat Jezus het met zijn boodschap van vrede en dienstbetoon uiteindelijk bij het rechte eind had, en dat Jezus geen geschenk was aan slechts één religie, maar aan de hele wereld.

We zouden alle mensen zien als Gods geliefde kinderen, als naasten in Gods wereld, hen liefhebben, hen dienen en van hen genieten. We zouden die vorm van Christusachtige gastvrijheid tonen die de verstoten buitenstaander nodigt om binnen te komen.


Wil je meer horen en doorpraten over dit thema tijdens de Lazarus 7keer7 touravond in Zwolle op 22 mei? We hebben een aantal interessante sprekers voor je in petto. Meer weten en kaarten bestellen kan hier

 


Brian McLaren

Meer lezen over Brians zoektocht naar een nieuw christendom? Dat kan in zijn boek Een nieuw christendom| Tien vragen die het geloof veranderen| Brian D. McLaren| 19,95

Meer info over het boek vind je bij uitgeverij De Vuurbaak

2 reacties op “Andere religies geen vijanden, maar wat dan? #lazarustour”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *