READING

Niet om de hel te ontsnappen, maar waarom geloof j...

Niet om de hel te ontsnappen, maar waarom geloof je wel? #lazarustour


Kun je nog geloven in een hel? Of in een hemel? Valt er nog iets te hopen? Reinier gaat er in deze stevige longread op in. Tijdens de zesde avond van de #lazarustour praten we verder. 

Het is onder dominees en voorgangers een bekend verschijnsel: je preekt jezelf het geloof in. Iedereen weet onderhand wel dat ook zij hun twijfels hebben. Maar het gebeurt stelselmatig dat zij, vaak onbewust, hun twijfels als uitgangspunt nemen voor hun preek en terwijl ze die uitspreken, ze het prompt zelf gaan geloven…

Ik maak het regelmatig zelf mee. Het belangrijkste was voor mij een essay dat ik jaren geleden voor (de inmiddels van naam veranderde) CVKoers moest schrijven over ‘de nieuwe aarde’. Ik kon me in die dagen niet gelovig noemen. Dat wist de toenmalige redactie ook wel, maar dat vonden ze juist interessant.

Ik moest een paar taalkundige noodgrepen toepassen om deze spagaat te overleven. Daarom bleef ik praten over ‘het christendom’, ‘de christelijke leer’ en dergelijke afstandelijke termen en vermeed angstvallig een formulering met ‘ik’ erin. Maar ik was diep in het onderwerp gedoken (het was een van mijn eerste betaalde opdrachten) en na het schrijven ervan was ik veranderd.

Hier was voor het eerst in jaren iets dat ik in elk geval wílde geloven.

Ineens krijgt het christelijke verhaal een verrassende samenhang

Mijn ontdekking was dat het christendom een heel aardse verwachting heeft over de toekomst. De hemel is ‘maar’ een tussenfase, waar tijdelijk de zielen van de gestorvenen wachten, en waar we erg weinig over horen in de Bijbel. Onze toekomst ligt echter hier op deze planeet, een vernieuwde planeet wel te verstaan, een gerenoveerd exemplaar.

Dit vond ik er zo mooi aan: met zo’n verwachting krijgt het leven nú plotseling zin. Als onze toekomst hier ligt, dan doen je huidige daden er nogal toe. Wat je hier doet, wordt niet weggevaagd of vergeten, maar kan blijven doorwerken. Daarmee krijgt het christelijke verhaal een verrassende samenhang. Het was voor mij een patchwork van losse onderdelen: schepping – zondeval – redding – wederkomst. Opeens zag ik nu een innerlijke logica. We leven in een gebroken wereld, die we nu al proberen te genezen, met hulp van de grote Arts, en uiteindelijk worden we volledig gezond.

Zoiets dan. Het werkt natuurlijk allemaal vele malen genuanceerder, maar you get the point. We hebben momenteel te dealen met aarde versie 1.0, we experimenteren met allerlei bèta-versies (Jezus is het belangrijkste prototype) en straks komt versie 2.0 eraan.

En die is af. Die klopt. Die werkt als een tierelier.

‘Koninkrijk van God’ slaat op een aards rijk

Ik kan me voorstellen dat mensen die in dezelfde traditie als ik zijn opgegroeid, me nu wat verbaasd aankijken. Was dít je ontdekking? Dat is je toch je hele jeugd verteld? Dit staat toch in alle gereformeerde belijdenisgeschriften?

Nou… ja, inderdaad. Ik ben in de gereformeerde traditie opgegroeid en daar hoort (net als in de meeste kerkgenootschappen) geloven in ‘de nieuwe aarde’ bij het basispakket. Het staat in de geloofsbelijdenis die bijna alle christenen onderschrijven: ‘de opstanding des vlezes’. Ik heb de frase in mijn jeugd elke zondag gezongen.

Ik herinner ook wel flarden van het wekelijkse geloofsonderwijsuurtje dat we als jongeren kregen. Bijvoorbeeld dat het op die leeftijd hoogst hilarisch is om die uitdrukking dubbelzinnig te lezen. Enfin. Het duurde een volle 25 jaar voordat ik besefte: oh wacht eens even, die gereformeerden geloven in een nieuwe aarde, zoals bijna alle christenen… En dat is prachtig!

Misschien komt het omdat de gereformeerden er zelf ook wat vaag over deden. Je hoort bij elke begrafenis dat de overledene ‘bij God is’ en ‘in de hemel’, maar de term ‘nieuwe aarde’ heb ik dan nog niet gehoord en valt ook nergens in hun officiële stukken. Als het gaat over Gods koninkrijk, heet dat daarin telkens ‘het koninkrijk der hemelen’. Terwijl de spoedige introductie ervan Jezus’ belangrijkste boodschap was en hij er overduidelijk een situatie op onze planeet mee bedoelde.

Pas veel later ontdekte ik (dankzij Tom Wright) dat alleen Matteüs ‘van de hemel’ toevoegt na ‘koninkrijk’, om zijn Joodse lezers niet af te stoten. Zij gebruiken uit respect vaak liever Gods woonplaats dan zijn naam. Zoals ook wij wel over het Torentje kunnen spreken als we eigenlijk Mark Rutte bedoelen. Maar de term ‘koninkrijk van God’ slaat op een aards rijk, waar nog steeds veel Joden op hopen. Waarbij Israël is hersteld, haar vijanden verslagen, het leven rechtvaardig, en de heidenen (de gojim, bijna alle lezers van Lazarus) welkom zijn. Jezus kwam om dát te introduceren.

Nee, we worden niet weggebeamd

Wat ook heeft meegespeeld zijn de beelden in de populaire cultuur. We kennen allemaal wel de katholieke schilderijen over hemel en hel. Als een niet-gelovige het christendom samenvat, komen dergelijke beelden vaak terug. Bij gelovigen zelf niet minder. Vraag een ‘gewone’ (sorry voor het woord) christen wat hij of zij gelooft en wat daar zo bijzonder aan is, en de hemel komt meestal langs.

Misschien ligt het er ook aan dat ik als tiener mijn belangrijkste geestelijke voedsel haalde bij events van de Evangelische Omroep. En evangelischen waren toen nog erg van hier-beneden-is-het-niet. Je gelooft toch vooral om-in-de-hemel-te-komen. Ik hoorde spectaculaire verhalen van Willem Ouweneel over ‘de Grote Opname’. Een zeer modern idee, dat pas in de 17e eeuw verzonnen werd, gebaseerd op een vertaalfout van slechts één enkel woordje.

Alle gelovigen zouden plotseling worden ‘weggebeamd’, zonder enige aankondiging verdwijnen. En daarna volgde dan een santenkraam aan ellende, met mythische namen als de Grote Verdrukking en het Duizendjarig Rijk en de Antichrist. Of ervoor? Ik weet het niet meer en het was ook nogal een janboel aan verschillende visies. Maar rottig zou het worden en de gelovigen waren daar gelukkig niet bij…

De hemel als kortstondig intermezzo

Later leerde ik dat het ‘hemelgeloof’ vooral in sociaal onrustige tijden opborrelt. Denk aan: tijden dat half Europa sterft aan de pest, dat de Grieken onder de voet worden gelopen, of dat een paar duizend atoombommen tegelijk op scherp staan. In zo’n situatie grijp je je angstvallig vast aan iets dat vooral heel anders is, heel ver weg. Veel historici wijten het ‘hemelgeloof’ dan ook de oneigenlijke invloed van Griekse filosofen. De Grote Opname is een flirt met de sehnsucht van de Romantiek. In het Jodendom waar het christendom uit voortkomt speelt de hemel een minimale rol: daar gaat het over ‘de komende eeuw’, die ook Jezus verwachtte.

Toen ik dat essay voor CVKoers schreef, ontdekte ik dat het joods-christelijke geloof in een nieuwe aarde uniek is. Hindoes en boeddhisten geloven bijvoorbeeld in een lange reeks reïncarnaties, nieuwe lichamen op déze aarde, tot je uiteindelijk opgaat in een hemelachtige toestand, je uiteindelijke bestemming waar je eeuwig verblijft. Moslims geloven dat je direct naar zo’n hemel gaat, zonder die langdurige fase van reïncarnaties ertussen. Atheïsten geloven dat er geen hiernamaals is.

In al deze populaire overtuigingen is onze planeet uiteindelijk een tragisch lot, waarvan de religies dan een spectaculaire ontsnapping beloven. De Grote Opname en dergelijke voorstellingen zou ik dan ook zien als een vorm van syncretisme. Hoppa. Het jodendom en christendom zijn hierin uniek, dat de hemel níet de eeuwige eindfase is, maar een tijdelijk tussenstadium. Hier op aarde is je uiteindelijke toekomst en deze aarde wordt gerenoveerd.

De meeste Joden hebben hier vrijwel geen voorstelling bij. Als ze er iets over zeggen, gaan ze meestal uit van een soort ‘zielenslaap’, bijvoorbeeld ‘in de schoot van Abraham’, zoals Jezus dat ook noemde. De christenen hebben in hun uitgebreide versie van de Bijbel nauwelijks meer informatie, maar wel weer hun katholieke schilderijen, dus ze hebben er wel ‘plaatjes’ bij, maar uiteindelijk weten we nauwelijks meer.

Als je deze joods-christelijke ideeën tot je laat doordringen, heb je tools om flink anders in het leven te staan. Hier heb je een overtuiging waarin niet al je daden uiteindelijk verdwijnen, wegzinken in vergetelheid, vernietigd in een einde-der-tijden. Wat je nergens vindt, buiten de joods-christelijke traditie en een paar instabiele uitzonderingen, is het besef dat dit leven zélf blijft.

De hemel is een kortstondig intermezzo. Híer is je thuis. Je woont en groeit hier eeuwig. Dat geeft een unieke ruimte aan je leven hier. Je hebt de tijd. En het doet ertoe hoe je met je tijd omgaat. Daarmee krijgt je dagelijks leven hier en nu een ongekende zin en samenhang. Het leven hier is voorpret. Verkneukelen. Wennen aan het besef dat het steeds mooier wordt. Toewerken naar die toekomst.

Het technologische paradijs

Dit joods-christelijke aardse paradijs heeft natuurlijk zijn sporen achtergelaten in de seculiere cultuur. Het communisme kun je alleen zien tegen deze achtergrond. Het was de nieuwe aarde revisited, maar zonder het besef dat deze gebracht moet worden, omdat onze krachten fundamenteel tekortschieten.

Datzelfde gebrek zie je ook de nieuwste variant: het technologische paradijs. Nogal wat ‘futuristen’ en ‘transhumanisten’ en hoe ze zich ook noemen, geloven dat langzamerhand de techniek al onze problemen zal oplossen. We zullen lang leven, duizend jaar, misschien zelfs eeuwig.

Het gros van deze denkers komt echter uiteindelijk met een eigen soort hemel, niet een nieuwe aarde. We zullen onze lichamen – die lastige, zweterige, behaarde dingen, blèh – eindelijk achter ons laten en onszelf uploaden in een megacomputer waarmee we versmelten. Het menselijke soort zal zichzelf uiteindelijk opheffen, overbodig gemaakt door de superieure computers. Al dat gedoe met materie, dat valt eindelijk van ons af, en we worden puur bewustzijn.

Het klinkt erg innovatief, maar het lijkt verrassend veel op oude Oosterse denkbeelden, waar de Grieken weer verder op bouwden, en die ook in sommige varianten van het christendom terecht zijn gekomen. In hun versie heette die megacomputer of ‘singulariteit’ toevallig Nirvana of de Ene. Het neerkijken op het lichaam en de eeuwige toekomst van de ziel hebben ze gemeenschappelijk.

Wat we hier doen is uiteindelijk onze tijd uitzitten. Zo leuk mogelijk natuurlijk, maar dat is het. We zijn uiteindelijk overbodig. We zijn een interruptie. De Computer, de Robot, het Al, of hoe je het ook noemt, heeft ons niet nodig.

De technologische hel

En dit opheffen van de menselijke soort is dan nog, paradoxaal genoeg, de meest positieve technologische toekomstverwachting. We zijn via de science fiction bekend met veel duisterder scenario’s, waarbij de mens zichzelf allerminst upgrade, maar wordt weggevaagd door de techniek. Het begon al met het Monster van Frankenstein, dat ons sluimerende ongemak met de groeiende mogelijkheden uitdrukte. En het genre is alleen maar groter geworden.

De fundamentele achterliggende wetmatigheid is, simpel gezegd, dat er steeds sneller steeds meer kan. Dat is grondwet van de techniek: steeds meer mogelijkheden worden steeds toegankelijker. En daarmee ook kwaadaardige mogelijkheden. Eerst was er nog een atoombom, die krankzinnig moeilijk te maken was tegen immense kosten. Toen waren er twee, vervolgens tien. En daarna waren er twee rijken met duizenden atoombommen die duizenden keren krachtiger waren dan de eerste. En inmiddels zijn het steeds kleinere landjes (denk: Noord-Korea) die ze aan het ontwikkelen zijn.

Wat gebeurt er als je die lijn doortrekt? De diepe achterliggende angst van het hele science fiction-genre is dat we de controle verliezen over onze uitdijende mogelijkheden. In de razende vaart dat we de techniek ontwikkelen, stuiten we op levensgevaarlijke nieuwe opties die nog nooit bestonden. Niet te detecteren explosieven, zelfgemaakte virussen, autonome robots en wapens, enzovoorts.

Onze werkelijkheid is fundamenteel instabiel

Het klinkt allemaal reuze-eng, en ik weet werkelijk niet in hoeverre we deze nieuwe ontwikkelingen kunnen bijsturen en in toom houden. Maar het gaat me hierom: onze werkelijkheid is fundamenteel instabiel. Dat wisten we ook al lang voor de atoombom. Er schuilt een diepe waarheid in het cliché dat een ongeluk in een klein hoekje huist. Het is veel makkelijker om iets kapot te maken dan om iets te maken. Er is miljarden jaren schepping-evolutie voor nodig om een kip te krijgen die een ei legt. Je gooit dat ei in een seconde kapot.

Zo is het ook met onze cultuur. Er waren miljarden jaren nodig om te komen waar wij zijn. Inmiddels is een dwaas met maf haar en een rode knop genoeg om de hele planeet te vernietigen.

Dag en nacht zijn daarmee niet in evenwicht, alsof de goede zaken de kwade wel zo’n beetje compenseren. Het goede heeft miljarden jaren gekost. En kan nu weg met een enkele kwade rode knop. Net zoals een huwelijk jaren werk kost en met een enkel slippertje vergane glorie kan zijn. Of zoals een mens jaren zorgvuldig leeft en met een enkele kogel sterft.

Het leven is, zoals gezegd, fundamenteel instabiel. Elke technologische ontwikkeling heeft daarmee te dealen en vergroot vaak nog weer die instabiliteit. Vertrouwen op een technologisch paradijs is als zitten op een kruitvat en roepen dat je daarom veilig bent.

Of er bewijzen zijn

Oké, genoeg narigheid. Is er hoop? Hebben we redenen om te denken dat de toekomst mooi is en kunnen we daar ons leven op in richten?

Als het gaat om ‘bewijslast’: dit is een gesprek waar je nauwelijks neutraal in kunt staan. Alleen al omdat de uitkomsten van je onderzoek grote consequenties hebben voor je eigen leven, maar ook omdat je wereldbeeld allesbepalend is voor die uitkomsten. In forensisch onderzoek betrekt men namelijk ‘circumstantial evidence’, indirect bewijs, in het onderzoek, oftewel: hoe waarschijnlijk schat je bepaalde scenario’s in op basis van de context?

In Saudi-Arabië acht je sommige gebeurtenissen veel waarschijnlijker en andere veel onwaarschijnlijk dan in Nederland. Dat geldt ook voor als je in een goddelijk dan wel zinloos heelal woont. Denk aan Jezus’ opstanding. Voor een atheïst is dat misschien niet volkomen uitgesloten, maar wel zo extreem ongerijmd dat het ook extreem veel bewijs nodig heeft. En in een mate die praktisch niet bestaat in historisch onderzoek.

Als je gelooft dat er een almachtige God is die wonderen doet, dan kun je die kennis niet negeren en hoort dat gewoon bij de context die je mee weegt. Een opstanding is dan nog steeds een grote uitzondering, maar je kunt zoiets wel vergelijkbaar behandelen als andere grote historische claims, waar je een evenredige mate van aanwijzingen voor zoekt.

Zo werkt het ook bij ‘de hemel’. Ik kan wijzen op de vele bijna-doodervaringen die over de hele wereld in alle culturen worden genoemd. Ongeveer een op de twintig mensen verklaart daarover. Daar zullen ongetwijfeld veel hallucinaties en drugsuitstapjes tussen zitten. Een atheïst zal geneigd zijn dergelijke verklaringen over alle gevallen uit te smeren en daarmee het hele fenomeen als aanwijzing voor eeuwig leven af te schrijven.

Als gelovige ben ik wellicht nog kritischer (het hele Oude Testament is een ellenlange ontmythologisering van bestaande religieuze claims) en kan ik vele gevallen wegverklaren. Maar ik sta open voor nóg een verklaring: dat bijna-doodervaringen echt iets zeggen over een leven-na-dit-leven. Dat past bij mijn wereldbeeld en bevestigt ook andere aanwijzigingen die ik daarvoor heb.

Even terug naar de kern

Voor mij zelf is het geloven in een nieuwe aarde (met een hemel als intermezzootje) echter vooral gebaseerd op hoe we God hebben ervaren: als tomeloze liefde. Geloven in eeuwig leven staat bijna gelijk aan überhaupt geloven in een God die liefde is. En dat lijkt me wel de meest basale christelijke belijdenis.

Voor zo’n God kan het geen enkel probleem zijn om zijn wezens (wellicht ook dieren en planten en allerlei buitenaardse wezens natuurlijk) eeuwig bij zich te houden. Een echte God kan dat. Als je een heelal kunt scheppen, ja hoor, dan kun je dat ook upgraden. En als het woord liefde ergens op slaat in verband met God, dan wíl hij dat ook.

Liefde zien we als mensen zo ongeveer als het verlangen de ander te zien bloeien. Dichtbij diegene te zijn. Zo veel mogelijk van hem of haar meemaken. De ander steeds meer te leren kennen. En als God inderdaad liefde is (en dat hebben we ervaren bij Jezus, waarover later meer) kunnen we, wat wij begrijpen van de liefde, projecteren op God.

Als we dat niet kunnen, valt er überhaupt niets meer over God te zeggen en uiteindelijk nergens meer over. Als taal enige zin heeft, als woorden betekenis hebben, als wij ook maar iets over God kunnen zeggen, en als God inderdaad die liefde is zoals wij hem hebben ervaren, dan zullen we ook geloven dat hij ook ons wil zien bloeien, dichtbij ons wil zijn, zoveel mogelijk van ons wil meemaken, ons steeds meer wil leren kennen.

Zeg dat God liefde is, en de nieuwe aarde komt aangevlogen.

De Joden kwamen hier al mee, de christenen hebben het vooral van hun Jezus. Jezus is die liefdevolle God in actie. Hij is de nieuwe aarde in actie. Jezus is de toekomst in actie.

God heeft wijde armen en wil iedereen daarin sluiten

Ik bedoel dit. Als christenen íets geloven over Jezus, is het dat hij uniek nabij God leefde. Met niemand is God zo intiem verbonden als met hem. Ik formuleer het zo algemeen om zo veel mogelijk ‘smaken’ christenen in te sluiten, en het is ook genoeg voor mijn punt hier.

Mijn punt is namelijk dat het nogal opmerkelijk is dat God zich juist aan een mens verbindt, een lichaam, een sterfelijk wezen. Waarom is zijn ultieme openbaring niet een tempel, een stenen tablet, een boek, een engel, een computerprogramma?

Christenen hebben door de hele kerkgeschiedenis heen deze ‘incarnatie’ van God gezien als een ultieme erkenning van de waarde van dit leven. Zo’n lichaam met al die krampjes, gedoetjes, infecties, tumoren – hij keert zich er niet van af. Hij wórdt het. En geen enkel ander mens is hem te min. Ook de geïnfecteerden op de vuilnisbelt, de misbruikten in de prostitutie, de waanzinnigen op de begraafplaats – hij gaat ermee om.

Als die Jezus ook maar iets zegt over de ware God, en dat is op z’n minst uitgedrukt wat we geloven, dan zegt het: God heeft wijde, wíjde armen en wil iedereen daarin sluiten. God wil de wereld niet wegvagen, maar ‘God had de wereld zo lief’, dat hij Jezus stuurde.

Jezus als mini-apocalyps

Daarmee is Jezus een soort prototype geworden. Iedereen kent wel die futuristische automodellen die een blik geven in de toekomst. De visie van de fabrikant op hoe het over tig jaar is. Jezus is zo’n futuristische blik in de toekomst. De visie van de Fabrikant. Omdat hij zo hecht verbonden is aan God, laat hij Gods bedoelingen zien: hoe het menselijk leven functioneert als God uiterst dichtbij is.

Dat is wat er straks gebeurt als God de nieuwe aarde introduceert, en wat soms nu al in het klein gebeurt bij Jezus-achtige situaties. God zal uiteindelijk uiterst dichtbij ons leven, ‘alles in allen’ zijn. Bij Jezus zie je dat hij niets liever wil. Hij was al alles in Jezus en Jezus werd daarmee een soort flashforward – je kent die scènes en flitsen in een film wel die vooruitgrijpen op wat er later gebeurt.

Ik snap dat de termen die ik gebruik wat popiejopie kunnen overkomen (tenminste, dat wordt me wel eens verweten), maar ze liggen dicht bij het taalgebruik van de eerste christenen. Zij noemden Jezus ‘de eersteling’, naar de eerste gerst of tarwe die met Pasen en Pinksteren Jeruzalem werd binnengedragen. Als bewijs dat de oogst was gelukt en de aankondiging van wat er nog ging komen. Dat was Jezus voor hen: de eerste gelukte oogst van het nieuwe seizoen. Nu zou de rest volgen.

Jezus is een mini-apocalyps. Een één-persoons-einde-der-tijden.

Nergens ‘lukte’ God zo goed

In hem gebeurt wat er gebeurt als God werkelijk dichtbij komt. In hem geschiedt persoonlijk wat later wereldwijd geschiedt. Je ziet de weerstanden in zijn omgeving, de pogingen hem uit te schakelen, en dan keert het glorieus terug in zijn opgestane lichaam. Dat is de ultieme merge tussen God en mens. Jezus lijkt nog op vroeger, hij heeft nog herinneringen en zelfs littekens. Zó lief had God kennelijk de wereld dat zelfs de littekens bewaard mogen blijven – maar hij is niet meer onderhevig aan verval, het kwaad heeft geen enkele grip meer op hem, hij is onkwetsbaar geworden.

Weer zie ik dit als een heel basale christelijke belijdenis. Het is geen ingewikkelde redenering via allerlei speculatieve stapjes. Het is Jezus zien als Gods ultieme uiting, anders gezegd, Gods zoon. Nergens ‘lukte’ God zo goed, zou je ook wat plat kunnen uitdrukken. Niemand raakte zo doordrongen van Gods bedoelingen. Als dat zo is, is Jezus een blik in de toekomst. Een beetje God waarop het woord liefde ook maar enigszins toepasbaar is, die zorgt er wel voor dat zijn bedoelingen uiteindelijk breder worden ‘uitgerold’.

En dan toch weer rottigheid: de hel

Als wat ik hiervoor zeg ergens op slaat, dan heeft Jezus ook wat te zeggen over de hel. Dat onderwerp moet toch ook maar eens passeren.

De meeste Bijbelgeleerden denken niet dat Jezus zelf iets over de hel heeft gezegd, althans, niet in de zin waarop we dat woord normaliter gebruiken. Het hele woord ‘hel’ is dan ook uit de moderne Bijbelvertalingen verdwenen. Naarmate de kennis over de oorspronkelijke Bijbeltalen vorderde, begonnen de vertalers ons Nederlandse woord ‘hel’ met al haar associaties steeds minder toepasselijk te vinden voor wat er bedoeld lijkt.

Het belangrijkste Griekse woord dat vroeger vaak met ‘hel’ vertaald werd is γέεννα, uit te spreken als ‘Gehenna’. Dit was het Hinnomdal, ook al bekend uit het Oude Testament, een nogal ongure plaats, waar ooit kinderoffers werden gebracht, later gebruikt als afvalberg, met hier en daar een zwerver.

Wat bedoelt Jezus, als hij zegt dat je leven ‘naar de Gehenna’ gaat? Zoiets als wat wij zouden zeggen als je beweert dat iemand ‘naar de afvalhoop’ gaat. Je verknalt je leven, you go to waste.

Voor verbale informatie over de hel moet je niet bij Jezus zijn. En dat zijn we als christenen wel gewend. We hebben geleerd dat Jezus wel veel vertelt, maar dat dit vooral onderzoekt waar het hem werkelijk om gaat: zijn leven. Jezus is vooral ‘fysieke’ informatie. Data in action.

God is niet iemand die kwaad terugkaatst, maar absorbeert

Ik ga ervan uit dat Jezus inderdaad Gods zoon is, anders gezegd, dat niemand anders zo diep laat zien wat er gebeurt als God met ons omgaat. Dat is de oerchristelijke ervaring. Dat geeft ook de vrijheid om na te denken over de hel. De hel zou Gods uiteindelijke reactie zijn voor wie hem tegenwerkt, ontkent of verloochent. Maar hoe reageert Jezus op wie hem tegenwerkt, ontkent of verloochent?

Nou ja, denk aan hoe hij met Petrus omgaat. Petrus verloochent hem drie keer bij volle bewustzijn. Jezus stuurt hem bepaald niet naar een hel. Hij kijkt hem doordringend aan. En na zijn opstanding geeft hij hem een nieuwe kans. Of denk aan Judas. Jezus stuurt hem niet naar een hel. Hij laat hem gaan. Hij respecteert zijn keuzes zozeer, dat het hem zelfs zijn eigen leven kost. Liever dan wie ook iets aan te doen, laat hij alles zichzelf gebeuren.

Dat vertelt de kruisiging: liever dan wie ook iets aan te doen, laat God het zichzelf aandoen. God is niet iemand die kwaad terugkaatst, maar absorbeert. Hij slaat niet terug, maar buigt het om.

Jezus straft niet. Nergens. Nooit. En zeker niet onherstelbaar en onverbiddelijk. Als Jezus ook maar enigszins God representeert, zegt dat: God straft niet. Nergens. Nooit. En zeker niet onherstelbaar en onverbiddelijk. Jezus duldt wel. Hij respecteert tot in het extreme de menselijke vrijheid. Dat raakt allereerst hemzelf. Maar het kan ook anderen raken. En de daders zelf.

Dat geeft enige ruimte om toch in een hel te geloven, wat ik namelijk wel degelijk doe. De reden is dat ik merk dat Jezus niemand dwingt bij hem te horen. Als mensen per se anders willen, dan doet hij zijn uiterste best, maar uiteindelijk tolereert hij die keuzes. Zo hebben we ook God leren kennen. Als iemand die, vooral ten koste van zichzelf, vergaand menselijke keuzes de ruimte geeft.

God is in onze wereld ‘gekruisigd’ aanwezig. Als je dat doordenkt tot een leven-na-dit-leven, levert dat in enige mate een hel op. Als mensen ook na hun dood per se zonder God willen zijn, zal hij hen daarin respecteren. Zoals C.S. Lewis het uitdrukt: de hel zit alleen vanaf binnen op slot, niet vanaf buiten.

Geen echt leven zonder ontwikkelingen

Daarbij kun je doordenken over hoe het werkt in die nieuwe tijd, als Jezus terugkeert en alles renoveert. Het is lastig voor te stellen dat we ons dan niet meer ontwikkelen. Leren, ontdekken, trainen, oefenen, reizen, avontuur, dat is juist wat ons leven hier de moeite waard maakt.

Als de nieuwe aarde werkelijk een nieuwe aarde is, die in grote mate lijkt op deze aarde, zoals de opgestane Jezus ook leek op de ‘oude’ Jezus, dan zullen we ook daar ontwikkelingen doormaken. Het zou het in elk geval een stuk minder saai maken. Ik kan me eigenlijk geen echt leven zonder ontwikkelingen voorstellen. En, naar ik aanneem, ook in onze band met God.

Misschien is dat de wijsheid van de leer van het Vagevuur en ook van de meerdere ‘verdiepingen’ in de hemel en de hel. Ik beschouw dat als Middeleeuwse fantasieën waarvoor geen basis is in de oudste bronnen, maar ze drukken wel uit dat het later niet of-of hoeft te zijn.

Veel christenen denken toch dat als Jezus weerkeert, hij de mensheid scheidt in twee groepen die vervolgens eeuwig in die toestand ‘bevroren’ blijven. Er is in feite maar een enkele gelijkenis die dit suggereert, en die moeten we (neem ik voorlopig aan) blijven lezen zoals we andere gelijkenissen lezen, namelijk als specifieke onthullingen voor Jezus’ intieme groep studenten.

Jezus blijft zijn armen maar spreiden

Misschien betekent dit dat er na onze dood, in de nieuwe tijd, in Gods rijk, er veel meer ‘smaken’ zijn. Dat er beweging mogelijk is. Er is in elk geval een fascinerende profetie, op de laatste bladzijde van de Bijbel, die zegt dat de deuren van het nieuwe Jeruzalem dag en nacht open blijven en de gojim binnenstromen met hun talenten. Dit suggereert toch beweeglijkheid.

Dat zou ook bij Gods karakter passen. Jezus nodigt uit. Hij nodigt tot het uiterste uit. En Hij houdt niet op uit te nodigen. Jezus blijft zijn armen maar spreiden. Waarom zou God na onze dood, in de nieuwe tijd, op de nieuwe aarde, opeens zijn armen sluiten en zeggen: met deze groep hier blijf ik het altijd doen, de posities zijn vanaf nu bevroren, zo blijft het altijd? Ik vind het juist bij God passen weliswaar orde op zaken te stellen, het onrecht te genezen, juist door zijn armen wijd open te houden.

Misschien dat Richard Dawkins – om eens een doerak te noemen – een eeuwtje of wat nodig heeft. Maar dan is hij ook wel, knarsetandend natuurlijk, om.

Waarheid is soms een corny tranentrekker

Kortom…  Geloven, hopen en liefhebben zijn bijna synoniemen. In de meest ‘uitgeklede’ vorm van wat je nog christendom kunt noemen, is God nog altijd liefde. Daar geloof je in. En dat betekent dat je hoopt, want een liefdevolle God laat niet stikken. En daarom heb je lief, want je wilt aan de goede kant van de geschiedenis staan.

Deze christelijke hoop is duur bevochten. Het is hopen ondanks. Ondanks de alternatieve messiassen die telkens weer teleurstellen. En ondanks de grote verhalen die onvermijdelijk worden ontmythologiseerd. En ondanks de grote beloftes die keer op keer falen. Het leven is hard. Het leven is fundamenteel instabiel. Op de meest onverwachte momenten word je te grazen genomen. Op de zonnigste dag word je naar de slachtbank geleid.

Als christen moet je jezelf dan telkens weer bij de kladden grijpen. Nee, dit is niet het laatste wat er te zeggen valt. Er is een groter verhaal. Een God die alles omhelst. Een Licht dat in de duisternis schijnt. Er zijn signalen dat het binnenkort spectaculair beter wordt. En je duikt weer in de verhalen over Jezus, wat hij deed tijdens zijn leven op aarde, en wat hij na zijn opstanding verder is gaan doen, nog steeds in onze dagen, onder zijn mensen. Dat kunnen corny tranentrekkers zijn, en dat is niet erg. Waarheid is soms een corny tranentrekker.

Als christenen hopen we op liefde, schoonheid, vrede in het hier en nu. Dat is wat ‘koninkrijk van God’ allereerst betekent. God werkt als een zachte kracht, een Jezus-achtige onderstroom, hier en nu onder mensen. Wij zijn Gods ‘medewerkers’. Dat is de mooiste hoop, die het meest emancipeert en ‘in je kracht zet’ (sorry voor de term, maar toch, het is zo): een toekomst waar je zelf aan kan bijdragen.

Er is altijd een mogelijke uitweg

Hoop is niet: we gaan het wel allemaal prima fiksen met elkaar… Binnenkort hebben we hier toch een geinig privé-paradijsje in elkaar gesjeesd… Het leven is fundamenteel instabiel. En daarom hopen we op een God die ooit beslissend ingrijpt, zoals hij ook bij Jezus beslissend ingreep. Een God die normaliter zachtjes en subtiel werkt, maar op een dag toch een doorbraak forceert.

Dat betekent dat er geen situaties meer zijn die we hopeloos kunnen noemen. Er is altijd een mogelijke uitweg: is het niet met ‘natuurlijke’ middelen, dan wel met ‘bovennatuurlijke’, hoewel je die twee nauwelijks kunt scheiden. Dat is wat we de nieuwe aarde noemen, de komende tijd, de ‘opstanding des vlezes’: een planeet waar God ‘alles in allen’ is zoals hij alles in Jezus is.

Alle liefde die je nu al ervaart en uitvoert, alle schoonheid, alle waarheid, is daarmee een blik in de toekomst. Het onthult iets over hoe het zal worden. Het trekt het gordijn iets verder open.

Overal waar je bloeit en doet bloeien, ben je een tijdreiziger.


Wil je hier meer over weten en over doorpraten? Dan kan live tijdens onze Lazarus 7keer7 tour op 12 juni in Groningen. Hier vind je meer info en kun je een kaartje reserveren. 


Meer lezen?

Dit zijn enkele andere namen van mensen die over de toekomst, hemel en hel hebben nagedacht:



  • Pingback: Ook tijdens een sabbatical gebeurt er nog wel wat | Reinier Sonneveld()

  • Bart van der Mark

    Bedankt voor dit mooie artikel. Met name de beweeglijkheid in het hiernamaals spreekt me erg aan en geeft hoop.

    PS, alle links naar eo site voor bijbelteksten leiden op mijn mobiel naar een 404 foutmelding.

  • Wouter Van Der Spek Boels

    Dank Rainier, voor dit artikel en je vorige longread. Ik wil me niet onttrekken aan moderne ideeën of geschriften, boeken die de bijbel bekritiseren, theorieën over de mogelijke destructie die nieuwe technologie zal aanrichten, boeken als ‘Sapiens’. Maar het is soms wel moeilijk die ideeën een goede plek te geven en niet zinloos mijn geloof te laten wegspoelen. Soms is het even schrap zetten.
    En dan denk ik, ja die zondigheid als motief voor de opstanding, vreemd. Is het niet waarschijnlijker dat hij gewoon de overwinning over de dood inluidt? Dat voelt logischer, maar die intuïtie wantrouw ik omdat de theologie het lijkt tegen te spreken. En ik kan toch ook niet mijn eigen geloofje gaan fabriceren. Dus ik blijf een beetje in twijfel hangen en mijn geloof blijft naïef voelen. Ik ben dan heel blij dat jij deze intuïties theologisch kan onderbouwen.
    Of het geloof in een hemel, ‘te’ mooi lijkt het soms bijna. Ik wantrouw mijn verlangen naar leven naar de dood. En zoals ja laat zien toch onlosmakelijk verbonden met het mysterie wat Jezus ons naliet.
    Ik ben heel blij dat jij je blijft verdiepen in de hedendaagse ideeën, de oude ideeën kritisch bekijkt en laat zien hoe ik ze kan verenigen. Ik heb voor mezelf wel geconstateerd dat geloof niet irrationeel is, maar zonder jouw stukken en boeken zou het een stuk moeilijker zijn het overeind te houden, zonder weg te kijken van alle nieuwe kennis of me er juist ongenuanceerd in te verliezen. Dank dus!

  • Reinier Sonneveld

    Beste Wouter, wat leuk om te horen en wat vriendelijk dat je het zo zorgvuldig verwoordt! Reinier

  • Reinier Sonneveld

    Thnx! Ik heb mijn best gedaan 🙂

  • Pingback: Niet om de hel te ontsnappen, maar waarom geloof je wel? #lazarustour()