Als je voor God speelt, doe dan in Godsnaam je best

Was dat wel zo’n slecht idee, dat als God willen zijn? In zichzelf? Na het lezen van een tekst uit Jesaja en een reflectie op het gedrag van mijn zoontje, kom ik tot de conclusie dat het een heel goed verlangen was. Alleen beroerd getimed; te vroeg, nog bij lange na niet volwassen. Maar wie zich ervan bewust is dat hij flink op zijn bek is gegaan, wordt al meer geschikt.

Ik denk dat het verlangen zuiver is, alleen beroerd getimed. Ik was laatst op de nieuwjaarsreceptie van de burgemeester van Amsterdam waar cabaretière Louise Korthals dat precies dat bevestigde met een groots lied. Met de conclusie dat we áls we dan als God willen zijn we wel een beetje beter ons best moeten doen.

Ik betwijfel of dat de beste aansporing is, maar om het nieuwe jaar te beginnen moeten we eerst maar eens dat verlangen bovenhalen. Dat verlangen dat zoveel schoonheid en rotheid teweegbracht.

(hele liedje, zeker luisteren!)

Hieronder de laatste zinnen van het lied voor iedereen die geen zin, tijd of mogelijkheden heeft om het te luisteren:

Als je ‘t lot wil bepalen mens, waarom zo’n zooi?
Hou toch eens op en maak het hier mooi
Wees dan toch groots voor jezelf en de rest
Maak van jouw wereld geen bloedmanifest
Mens als je voor God speelt, als je zo graag voor God speelt
O als je voor God speelt….
Doe dan in godsnaam je best!

We wilden voor God spelen. Dat is een van de oudste verhalen van de mensheid. ‘Als God zijn, kennende goed en kwaad.’ En leren kennen hebben we het. Na die vrucht. Aldus dat oude verhaal van de Joden, en de christenen trouwens. Én de moslims. Allemaal nog één in onkundig tweevoeterschap. Naakt en onbeschermd, relatief klein en zonder scherpe klauwen, krachtige staarten of bepantserde huiden.

Het verhaal doet geen natuurkundig verslag, maar meer een idee over het hoe en waartoe van een oerknal. De ziel waaruit dat kunstwerk tevoorschijn spatte, zo megalomaan gedetailleerd en met dat stel bijzondere beheerders. Ongewapend, maar met een enorm bewustzijn. Een zelf-bewust-zijn. En een al-het-andere-bewust-zijn. En dan?

We wilden als God zijn. Zzp’en, dat wilden we. Autonomie. Er was niet meer nodig dan een klein stemmetje dat zei: ‘Je baas heeft niet het beste met je voor, je kunt het beter alleen: al die regeltjes zijn om je klein te houden.’ Dat vonden we uiterst geloofwaardig, gek genoeg. Waarom? Omdat we het verdomde graag helemaal zelf weten. En doen.

Graaiend en rollebollend

Dus we leerden olie opdelven om er machinerie mee aan te drijven en plastic mee te maken. Niemand die ons nog op de vingers keek of ons verantwoordelijk hield. Het was ónze wereld. Klaar. We groeven en graaiden, rollebollend in het zwarte goud. Tot de ozonlaag in flarden was en onze wereld begon te verschroeien. En het plastic in de zee onoplosbaar bleek. Toen realiseerden we ons dat we misschien te vroeg hadden gejuicht. En we hadden spijt, maar er was geen weg terug.

We splitsten atomen, want dat konden we. En toen Robert Oppenheimer zag wat hij had bedacht, gemaakt en getest, beschreef hij achteraf hoe hij zich voelde: ‘Nu ben ik de Dood, de Vernietiger van Werelden.’ Oeps. Afschuw. Angst. Spijt heeft hij het nooit genoemd. Dat nog net niet.

Zelf bepalen, zelf doen

Ik kijk naar het beteuterde gezicht van mijn zoontje die met een dikke buil op zijn hoofd bij mij op de arm zit. Hij was op weg om chocola te ‘regelen’ uit het bovenkastje in de keuken. Dat mocht niet, maar hij wilde het wel. Hij wilde zelf bepalen wanneer hij het at en hoeveel.
Dus klom hij op het aanrecht, voorzichtig, zodat ik niets zo horen. Maar daar ging hij, aanrecht nat, niemand om hem op te vangen. Omlaag stuiteren op de vloer en keihard huilen. Nou, hij heeft zijn straf wel gehad, realiseer ik me. Die hoef ik niet nog eens een standje te geven. En hij weet het. Hij kruipt tegen me aan. Hij is niet bang voor straf. Stom, hoor ik hem denken. En ik wilde chocola.
Maar wat hij nog meer wilde, zegt hij niet. Hij wilde het zelf bepalen, zelf het wanneer en zelf het hoeveel. En dat zijn uitstekende verlangens. Het is alleen een beetje vroeg. Hij is nog te klein. Pas later kan hij dat. Als hij vaak genoeg op zijn bek is gegaan. Als zijn bewustzijn volwassener is geworden. En dan hoop ik dat hij nog steeds verlangt. Misschien naar chocola. Maar vooral naar dat andere: het zelf doen. Want alleen hij kan het op zijn manier.

Te vroeg, te kinderlijk

Het was een fantastisch verlangen om als God te willen zijn. Sterker nog, het was onze bestemming. Maar niet op deze manier, niet zo snel de macht grijpen, op het aanrecht klimmen en als je op je bek gaat alle verantwoordelijkheid, alle hulp, alles afwijzen. Want: ‘zelf doen’. Dat hebben we een poosje volgehouden en nu weten we niet beter. Onze best doen is het beste doen wat we weten: bommen gooien als mensen bommen gooien. Ook als het contraproductief is. De overheid bedreigen als we willen dat ze ons beschermen tegen mensen van wie wij denken dat ze ons bedreigen. Te vroeg, te kinderlijk, te alleen. We vertrouwen weinig meer, van boven niet, vanuit Den Haag niet en van elkaar ook niet heel erg meer. Lullig. En eenzaam.

Troost en moed

Ik moet denken aan een oude Joodse profeet. Hij heeft de opdracht om het gedesillusioneerde hoopje mens te troosten dat in een ballingschap ver weg van huis probeert te overleven. Ze waren veelbelovend, maar wilden zelf de slimste politiek uitknobbelen en sloten de verkeerde deals. Nu zijn ze van het aanrecht afgedonderd en menen dat er geen weg terug meer is. Verpest, vergooit, het leven uitzitten dan maar. Dan vertelt de profeet over zijn opdracht:

Troost! Troost mijn volk, zegt jullie God. Spreek Jeruzalem moed in, maak haar bekend dat haar slavendienst voorbij is, dat haar schuld is voldaan, omdat zij een dubbele straf voor haar zonden uit de hand van de HEER heeft ontvangen.

Dubbele straf is in dit geval: Dubbel en dwars. Zo van: die heeft zijn straf wel gehad. Troost voor Oppenheimer, troost voor treurige mensen met olie aan hun handen. Of bloed. Een zachte stem: jij hebt je straf wel gehad he? Dat is een tekst die de verdachte in het beklaagdenbankje kan doen opveren. Niet langer zichzelf wentelen in het falen, in cynisme of angst. Maar opveren en luisteren en een stem horen, vervolgt de profeet:

Hoor, een stem roept: ‘Baan voor de HEER een weg door de woestijn, effen in de wildernis een pad voor onze God.’

Ik denk dat Jezus van Nazareth deze oude Joodse tekst bij ons heeft neergelegd. Dat we troost moeten bieden aan een mensheid die spijt heeft over zichzelf, die cynisch is geworden over haar mogelijkheden. Dat zij – en wij ook – moeten ophouden om te denken dat het voorgoed verknald is. Dat we de mens, inclusief onszelf, opzoeken in de woestijn, in onze van vluchtelingen, aarde-opwarmingsverhalen, en van crises vergeven woestijn.

Op naar de woestijn

Die woestijn waarin je bent op het moment dat je weet dat je droomproject mislukt is, of dat je ziet als je vrouw je heeft verlaten omdat je er nooit was. Te hard gewerkt, misschien wel om haar gelukkig te maken. Dat moment dat je ziet alst je cynisch bent geworden. Of eenzaam. Voor even of voor altijd.

Als je dan, midden in die woestijn, heel goed luistert, borrelt er dan een verlangen omhoog. Wat je éigenlijk wilde. En hoopte. Van die relatie, met dat project. En dat is je bestemming, jouw verlangen, de weg die jij geroepen bent om te banen, zodat het goede erlangs kan reizen. Onze wereld in.

Goddelijke taak

We worden niet gevraagd God te zijn, maar om zijn wegen te banen. Naar ons inzicht, ons unieke inzicht. Om ruimte te creëren: als een reis naar Lesbos, als een hand op de arm van iemand die alleen is, als gerechtigheid voor Feda Amiri, als aandacht voor Coffee Kids, als een vraag om hulp bij een verhuizing, als een hand die helpt. Deze dingen gaan niet de wereld redden, maar ze banen wegen en we staan ervan te kijken hoeveel goeds er over dat pad kan gaan. Dat is onze goddelijke taak. We weten ondertussen wel hoe we het niet meer moeten doen, we hebben zogezegd onze straf gehad. Nu weer onze plek innemen op deze aardkloot. Zijn als God, kennende goed en kwaad. Pas wie echt op zijn bek is gegaan en de hoop niet heeft verloren, wordt geschikt.

Ter afsluiting ‘Een Kleine Psalm’ van J.B. Charles:

Hij alleen zou met een grote sigaar

in de mond op straat mogen lopen,

met de duimen in zijn vest

want hij is God.

Maar hij doet het niet,

want hij is God.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *