buurtkerk

Zo wit en homogeen als de kerk van mijn jeugd was, zo bont en gemixt is mijn buurtkerkje…

Het is een bont gezelschap, het buurtkerkje waar Karlien deel van uitmaakt. Soms verzucht ze: ‘Naasten liefhebben is zoveel makkelijker als ze ietsje meer op mij zouden lijken…’

In de wijk waar ik woon staat een treurig buurthuis. Aan de buitenkant bladdert de verf eraf en binnen ligt een versleten linoleum vloer. Het oude gymzaaltje dat aan het buurthuis vastzit, is op zondagmiddag onze kerkzaal. Het altaar is een knalroze, rubberachtig tafeltje uit de kinderlijn van de bekende Zweedse meubelgigant. Soms ligt er een kleed overheen, maar meestal niet. Sinds kort staat er ook een vaasje op het tafeltje. Daar wordt, bij wijze van bloemstuk, vlak voor de viering nog snel een tak of bosje paardenbloemen ingestopt. De gave van het bloemschikken heeft zich binnen onze groep nog niet geopenbaard.

Deel van deze groep zijn, is pijnlijk confronterend

Zo wit en homogeen als de kerk van mijn jeugd was, zo bont en gemixt is deze buurtkerk. Vluchtelingen uit Iran, Syrië en Eritrea, een Marokkaanse man zonder status, een paar Hollandse Frans Bauer-fans, een Chinese alleenstaande moeder. Sommigen zijn net tot geloof gekomen, anderen zijn opgegroeid in een streng-gereformeerde traditie. Onze gemeenschappelijke deler? We wonen allemaal in dezelfde wijk. En we geloven (bijna) allemaal dat Jezus een goed verhaal heeft.

Deel zijn van deze groep is schitterend. En vermoeiend. En pijnlijk confronterend. Schitterend, omdat ik van heel dichtbij mensen zie veranderen. Ik zie dingen gebeuren waarvan ik dacht dat het niet meer kon in deze tijd. In dit deel van de wereld. Ik zie hoe iemand zonder familie een nieuw thuis vindt. Ik zie hoe iemand die tot voor kort weinig met vluchtelingen ophad, nu getroost wordt door een vrouw zonder verblijfsstatus. Ik zie hoe een lamme en een blinde (letterlijk!) naast elkaar zitten en zachtjes mee hummen met een lied dat ze niet kennen. Een lied over welkom zijn in Gods huis.

Met samengeknepen billen

Al die momenten ontroeren me. En toch… Ik zit regelmatig met samengeknepen billen op een van de vaalblauwe stoelen in het gymzaaltje. Omdat er tijdens het gebed alweer een telefoon afgaat. Omdat de vertaler niet op een woord kan komen (‘Wat is een rank?’ ‘It’s like a branch!’ Wat is een branch?’). Omdat de blinde man, die iemand ooit op straat tegenkwam en sindsdien bijna wekelijks komt, altijd net te lang je schouder vasthoudt. Omdat sommige mensen het geen probleem vinden om tijdens een preek te laten weten dat ze het ergens niet mee eens zijn (‘Mozes vermoordde een Egyptenaar, sloeg op de vlucht en…’ ‘Niet waar! Dat staat niet in de Bijbel!’ ‘Ja, het staat er echt’ Ik geloof het niet!). Zucht.

Na afloop van de viering eten we samen. Elke week. Omdat dat was wat Jezus ook deed. Omdat dat is wat een familie doet. Alleen: in tegenstelling tot Jezus’ tafelgenoten zijn wij niet allemaal met dezelfde smaken opgegroeid. Wanneer de Iraniërs koken, lijkt zout soms het meest prominente ingrediënt. Terwijl de Nederlanders aan tafel liters water naar binnen klokken, strooien de koks voor de zekerheid nog een half kopje extra over hun bord. Andersom is het natuurlijk niet veel beter: soep is voor geen enkele buitenlander een volwaardige maaltijd, ook niet als dat er expliciet bij wordt gezegd (‘vanavond eten we een maaltijdsoep!’).

Het gehandicapte lichaam van Christus

Deel zijn van dit buurtkerkje, dit gehandicapte lichaam van Christus, confronteert mij met mijn eigen ongeduld, snelle oordeel, arrogantie en ziekelijke behoefte aan controle. Naasten liefhebben is zoveel makkelijker als die naasten ietsje meer op mij zouden lijken. Of als die naasten op iets meer afstand zouden staan. Of het liefst allebei.

Maar ik krijg niet waar ik om vraag. Ik krijg wat ik nodig heb. Tenminste, daar lijkt het op. Ik krijg een tafel gevuld met mensen. Sommigen stinken. Anderen praten aan één stuk door. De volgende praat helemaal niet. De een eet met open mond en de ander slurpt zijn gloeiendhete thee met een ongelooflijk volume naar binnen.

Ik krijg zicht op die stapel balken in mijn eigen oog. Ik besef opnieuw, of misschien wel voor het eerst, dat ik genade nodig heb. In contact met mensen die in niks op mij lijken en zich niet sociaalwenselijk gedragen,  heb ik nog een lange weg te gaan heb. Maar ik ben ervan overtuigd dat deze gemeenschap, in dit lelijke buurthuis, de plek is waar ik zijn moet. En ik geloof dat ik het eigenlijk ook niet anders zou willen.

3 reacties op “Zo wit en homogeen als de kerk van mijn jeugd was, zo bont en gemixt is mijn buurtkerkje…”

  1. Mooi Karlien! Ik heb het voorrecht gehad een paar keer erbij te zijn, dus ik kan me er een levendige voorstelling van maken. Jullie zijn nog regelmatig in onze gedachten en een blijvende inspiratie. Elsa

  2. Een mooi voorbeeld nm. het omzien naar je naaste. Daardoor warmte en liefde terug ontvangen, is niets mooiers dan…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *