Hoe geef jij je kinderen iets van je geloof mee?

Je wilt je kinderen leren wat belangrijk is in het leven. En daar hoort geloof voor jou ook bij. Maar wat geef je ze mee? En hoe? Jantine gaat je in deze serie inzicht én praktische tips geven. 

Er wordt weleens gezegd: Opvoeden vraagt de kracht van Samson, de wijsheid van Salomo, het geduld van Job, het geloof van Abraham, het inzicht van Daniël en de moed van David. Klinkt indrukwekkend en het geeft wel aan dat het niet de makkelijkste taak is.

Als jongerenwerker en pedagoog krijg ik regelmatig van ouders de vraag hoe ze de geloofsopvoeding vorm kunnen geven. Ook dat is best lastig. Want welke waarden draag je over vanuit je geloof? Hoe doe je dat bij heel jonge kinderen? Wat verandert er als je kinderen ouder worden? Wat begrijpen ze wel en niet uit de bijbel, en hoe maak je het geloof praktisch? En is geloofsopvoeding ook mogelijk als je niet op zondag in de kerk zit? Of als je zelf ook zoekend bent naar wat je gelooft?

Wat je kunt leren van de zes fasen in geloofsontwikkeling van Fowler

Om te beginnen ben ik op zoek gegaan naar de wetenschap achter geloofsopvoeding. Er is één toonaangevende wetenschapper die er onderzoek naar gedaan heeft: James Fowler. In de jaren 70 onderzocht hij de geloofsbeleving van mensen in allerlei leeftijdscategorieën en hij bekeek hoe hun geloof zich ontwikkelde en vormde.

Hij vond zes fasen in de geloofsontwikkeling, waarvan er drie in de kindertijd zitten:

  • Fase 0: de babyfase: Bij kinderen tussen de 0 en 2 jaar is er volgens Fowler sprake van primal faith: het gaat hierbij om het leggen van een basis voor geloof, namelijk het vertrouwen in een veilige wereld.
  • Fase 1: het jonge kind (3 – 7 jaar). Deze fase heet bij Fowler de Intuïtive-Projective faith: kinderen in deze leeftijdscategorie maken snel contact maken met hun onderbewuste. Het aanbieden van geloofsbegrippen is in deze fase eenvoudig, maar ook risicovol: kinderen in deze leeftijd beschikken over een levendige fantasie, waardoor het belangrijk is in eenvoudige bewoordingen over het geloof te praten. Dit betekent dat kinderen letterlijk zullen geloven dat God een vuur of een storm is. Spreek dus liever van een God die van je houdt, dan van God als een stem in een brandende braambos.
  • Fase 2: de bovenbouwfase (8 – 12 jaar). Wanneer kinderen kritisch gaan nadenken, zullen ze sceptischer tegenover het geloof staan. Fowler noemt deze fase in het geloof dan ook wel de Mythic-Literal Faith. Belangrijk is dat God in deze fase een menselijke gedaante krijgt, in plaats van dat het een abstract begrip blijft. Als ouder/opvoeder moet je ook rekening houden met kritische en nieuwsgierige vragen in deze periode.

Naast deze drie fasen, bestaat er nog het Syhthetic-Conventional Faith (12 – 20)het individual-Reflective Faith (21 – 34), het conjuctive Faith (35+), en het Universalizing Faith (45+). Deze laatste fasen zijn minder goed per leeftijd in te delen, en hangen met name af van iemands morele ontwikkeling en de aandacht die zij aan het verder ontwikkelen van hun geloof geven.

De geloofsontwikkeling, zegt Fowler, verschuift op basis van gezag: waar eerst een externe invloed voldoende houvast biedt voor het geloof, moet dit langzaam verschuiven naar een interne overtuiging.

In de Bijbel vind je niet zoveel over opvoeden

En nu? Wat moet je een kind dan leren zodat hij zelf op zoek kan gaan? Grappig genoeg staat er in de Bijbel eigenlijk niet zoveel over opvoeden, en al zeker niet over geloofsopvoeding voor kinderen. Het enige wat er staat is: ‘Houd de geboden die ik u vandaag opleg steeds in gedachten. Prent ze uw kinderen in en spreek er steeds over, thuis en onderweg, als u naar bed gaat en als u opstaat’ (Deut. 6:6-7). Maar uit het enkel opleggen van geboden bestaat de geloofsopvoeding natuurlijk niet (meer).

Toen ik verder zocht naar (opvoed)opdrachten in de Bijbel, kwam ik een tekst tegen van Paulus aan de Galaten, waarin hij de gemeentes in deze streek waarschuwt voor de gevaren van zedeloosheid, jaloezie en rivaliteit. Hij houdt hen voor over welke deugden een goede gelovige zou moeten beschikken:

‘Maar de vrucht van de Geest is liefde, vreugde, en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing. Er is geen wet die daar iets tegen heeft.’ (Gal. 5:22-23)

Deze ‘vruchten’, zo realiseerde ik me tijdens het lezen, zijn niet alleen een opdracht voor volwassenen om zelf na te streven, maar ook om ze aan kinderen te leren.

De komende weken duik ik dus in de deugden: wat staat er in de bijbel over, wat zeggen pedagogen hierover en hoe moet je het als ouder aanpakken? Hopelijk helpt dat jou in je zoektocht naar geloofsopvoeding.


Jantine Huisman godsdienstwetenschapper, pedagoog en kerkelijk werker Jeugd en Jonge gezinnen. Ze vraagt zich af hoe je geloofsopvoeding aanpakt en combineert in haar zoektocht haar praktijkervaring met de theorie uit de boeken. 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *