vuur

We hoeven niks te veroveren. God staat al lang aan onze kant

Na lange tijd zit Elsa van de Kerklozen weer eens in een kerkbank. ‘Het was een klein wonder dat plaatsvond afgelopen zondag.’ 

Daniël Lohues zong over zijn kerkgang ‘Misschien komp ‘t ooit wel weer’. Hoewel ook ik niet lang geleden nog in de ruimte van het ‘ooit’ rondzweefde, zette ik plots weer eens voet aan de grond. En wel in het Zwolse Dominicanenklooster waar ik plaatsneem in een kerkbank.

Qua esthetiek geen verkeerde plek voor een voorzichtig rentree. Als je dan toch weer naar de kerk gaat, dan een echte. Eén die met haar hoge bogen letterlijk ruimte ademt. Sint Dominicus leek ons goedkeurend te bekijken, toen Mark en ik – relatief jong vergeleken met de overwegend grijze koppen – de kerkbanken inschoven. Ons lavend aan de schoonheid van de plek en de zon die door het raam haar eigen glas in lood op de muur scheen.

De liefdevolle eenvoud van het gebaar

‘Wij zijn niet in staat om naar u op te klimmen, maar Gij daalt af naar waar wij zijn’, sprak de voorganger, niemand minder dan hoogleraar theologie Erik Borgman. ‘Neem mij aan zoals ik ben’, zongen wij als antwoord. We wensten elkaar de vrede. Menig paar ogen in door het leven getekende gezichten ontmoette ik. En menig gerimpelde hand schudde ik. De liefdevolle eenvoud van het gebaar ontroerde me. En ik ontspande, raakte ontvankelijk. Moest niets, mocht daar zijn. Het was een cadeau.

Ik moest hier meteen aan denken toen ik de dag daarna het stuk van Jan las. Hoewel ik mijzelf als kerkloze niet direct schuldig lijk te maken aan meer, meer, meer, kan ik natuurlijk wel met zo’n mindset over de kerk denken. En doe ik dat ongetwijfeld ook, gemarineerd als ik ben in een cultuur die altijd op roverspad lijkt te zijn.

God staat al lang aan onze kant

In zijn overweging haalde Erik Borgman een vergelijking aan die Amerikaanse monnik en mysticus Thomas Merton maakte met betrekking tot de westerse samenleving. Hij vergeleek haar met de mythe van de Griekse halfgod Prometheus. Volgens dit verhaal was de mens bij de verdeling van de gaven en hulpbronnen er wat bekaaid vanaf gekomen. Als tegemoetkoming naar de mens toe stal Prometheus het vuur van de goden en gaf het aan de mensen. Hiermee konden ze metaal bewerken, waarmee ze alsnog een machtige cultuur konden opbouwen.

Borgman legde in zijn verhaal de nadruk op het feit dat het vuur van de goden gestolen werd. Diep in onze cultuur zit dan ook de overtuiging dat datgene wat we nodig hebben om te leven, iets is dat we moeten veroveren. Daar tegenover staat – vrij revolutionair – het christelijke verhaal. We hebben niets te veroveren op de goden. God staat al lang aan onze kant. Of zoals de vader in de gelijkenis van de verloren zoon tegen de oudste zoon zegt: ‘Mijn jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou’. (Lucas 15:31).

Ik zal het vuur zien branden

Het was een klein wonder dat plaatsvond afgelopen zondag. Er viel niets meer te veroveren. Alles wat ik nodig had, was daar. ‘Wij brengen onze ziel tot rust als een kind op de arm van zijn moeder. Als een kind is onze ziel’, spraken we in koor. Mijn kerkloze ziel kwam tot rust in die pretentieloze kerkdienst. Met onverwachts gemak. En ik nam de uitnodiging van de voorganger zeer ter harte: ‘Wij mogen ontdekken dat wij het vuur niet uit de hemel hoeven stelen, maar dat het vuur ons allang ten deel is gevallen. Het brandt volop: om ons heen, voor ons uit, in ons binnenste.’

Van roverspad naar ontdekkingstocht, ik teken ervoor. Ik zal het vuur zien branden. Ongetwijfeld op plekken waar ik het al lang niet meer verwachtte. Ze is eigenaar van zichzelf. En ik ontving haar dankbaar die zondagochtend in een Zwolse kerkbank.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *