Marleen Stelling: ‘Hoe ik als kritische theoloog toch van Kerst ben gaan houden…’

Als cynische puber moet Marleen niets hebben van Kerst: het feestje van een ontplofte consumptiemaatschappij. Als kritische theoloog is het al niet beter. Wat is er gebeurd dat ze nu kan zeggen: ‘Ik houd van Kerst’? 

Vorig jaar kocht ik een snoezig, wit nep-kerstboompje en mini-kerststalfiguren met lusje in de nek om aan de takken te hangen. Ik had de boom opgetuigd en verliet het huis voor een boodschap, maar zag bij terugkomst de inhoud verspreid door de woonkamer liggen. Maria vlak voor mijn voeten, Jezus iets verderop en na even zoeken vond ik Jozef terug onder de bank. Alleen herder en engel – hoe symbolisch – hingen nog aan het omgevallen boompje naast de salontafel, met daarnaast mijn kat die zag dat het goed was.

‘Alleen herder en engel hingen nog aan het omgevallen boompje.’

Geen kerstboom meer, dacht ik toen, maar nu sta ik toch te twijfelen. Naast de servicebalie in de supermarkt zie ik een echt boompje met opgespoten glow in the dark-sneeuw staan. Toch eerst de winkel in, voor mezenbollen. Ik beland in een orkaan van feestproducten. Kerststol, kerstkransen, kerstbanket.

Een tafel vol ideeën voor het kerstdiner: ragout, hammetjes, hertenbiefstuk. Sferische beelden in mijn hoofd van hoe het dit jaar zijn zal, dat feest, met eten dus, en kaarsjes en familie. Elk seizoensgebonden product dat hierna mijn blik kruist doet een schepje bovenop de berg ontroering in mijn borstkas. Vanuit hemels (of aards, zo je wilt) perspectief zie ik mijzelf door de winkel schuifelen en denk ik: Wat. Is. Er. Gebeurd?

Morrend aan het kerstontbijt

Als puber mocht ik willen dat het laatste religieuze feest van het kalenderjaar met deze warme gevoelens gepaard ging. In de aanloop naar Kerst kwam mijn kritiek op een ontplofte consumptiemaatschappij steeds dichter bij een hoogtepunt. Ik was groeiend geërgerd over de geagendeerde liefdadigheid van velen in deze maand. Geen wonder dus dat ik, toen de dagen daar waren, morrend aan het kerstontbijt verscheen. Een gemiddelde puber, kun je denken, maar de grond onder het chagrijn is niet zomaar drijfzand.

‘Tussen de donkere jassen waren mijn metgezel en ik in sterrentrui en glitterjurk en toch iets minder op ons gemak…’

Ik kwam hetzelfde cynisme tegen toen ik vorig jaar op kerstavond een traditionele katholieke kerstnachtdienst bezocht. De voorganger liet zich onbeschroomd afkeurend uit over de met glitter en glamour gevulde etalages in de stad in aanloop naar de feestdagen.

Vergeef mij mijn letterlijke perceptie, maar tussen de donkere jassen waren mijn metgezel en ik in sterrentrui en glitterjurk – ‘met kerst kan het, zeiden we eerder die dag nog’ – toch iets minder op ons gemak. We troosten elkaar met de conclusie dat juist deze teleurstelling misschien wel kerstgedachte-achtig was, want: ‘ook voor ons is er nu geen plaats’, en we doken een nabijgelegen kroeg in.

Ik ben van Kerst gaan houden

Hoe dan ook: ik ben van Kerst gaan houden. Dat deze verandering in meer een oorsprong kent dan alleen in het afronden van mijn puberteit en het droog worden achter de oren, ontdek ik dit jaar op de avond voor tweede advent. Na een diner vertel ik mijn tafelgenoot in de auto op weg naar huis meer over mijn nieuwe gevoelens bij Kerst. ‘Stel je voor, hè? Je bent God en je wilt dichter bij de mensen komen. Je dubt en denkt en talmt en twijfelt.

Tot je het weet: ik word een baby. Ik kruip in een vrouwenbuik en wacht daar, net zoals ieder mens dat ooit deed, tot ik groot genoeg ben en naar buiten kom. Geen idee waar ik terechtkom, weerloos als ik ben, maar dat risico neem ik, als ik maar bij de mensen ben.’

Woorden die ik met kippenvel uitspreek, maar die de Leidse theoloog in mij met verbijstering zou aanhoren. Het verhaal is maar een verhaal, te verklaren door het bestaan van een volk dat naar redding verlangde en een orale cultuur waarin het werd doorverteld. Aanwijsbare factoren, anything but God. Een kritische noot die ik (samen met het kerstcynisme uit mijn puberteit) met het klimmen der jaren meer en meer achterlaat.

Dat in deze ontwikkeling de oorsprong ligt van vele religieuze conflicten op wereldniveau en andere destructiviteit, beknot de spirituele Alice in wonderland in mij niet.

Wat is er gebeurd met de kritische theoloog?

Terug naar de snelweg op die bewuste avond. Al uren sneeuwt het. Mijn tafelgenoot is, anders dan normaal in onze beschouwende gesprekken, even stil na mijn voorstelling van God als baby in een vrouwenbuik. Het sneeuwen stopt. Vanuit een koekblik op vier wielen kijken we naar een door lantaarnpalen verlichte, witte, weidse leegte. Even is het alsof alle potentiële, kritische geluiden met het asfalt onder een laag gekristalliseerd water uit de hemel zijn verdwenen. Dan zegt hij: ‘Ja, maar dat ís toch ook mooi?’

Wat er is gebeurd met die cynische puber, die kritische theoloog? Ik heb geen gedegen antwoord – misschien wel een symptoom van de ontwikkeling die ik beschrijf. Wellicht verschijnen ze weer, net zoals het asfalt als op een dag de sneeuw smelt.

Vol verwachting

De volgende ochtend kijk ik door het raam naar buiten. De sneeuw ligt nog en een roodborst zoekt vergeefs in een lege struik naar zaden. Alsof God in andere gedaante weer aanklopt bij een herberg. Vetbollen. Vetbollen! Zo beland ik een op de tweede Adventszondag in een supermarkt vol liefdevol, eetbaar kerstgeweld. Kant-en-klare exemplaren zijn er niet. ‘Zelf vetbollen maken’, google ik.

Ik koop ik een katoenen draad, satéprikkers, zaden, pitten en frituurvet. In de haast de bollen nog voor het donker op te hangen, vergeet ik het glow in the dark-boompje. Even later sta ik in een keuken te zwoegen die na het klaren van de klus vetter is dan na oliebollen bakken voor de hele straat.

‘Natuurlijk leef ik in een wereld waarin ik liever een Syrisch kind zou adopteren.’

Natuurlijk leef ik in een wereld waarin ik liever een Syrisch kind zou adopteren, of beter: zou stoppen met betaald werk om een woonhuis vol kleedjes en kussens voor alle verlaten kinderen, grootouders, puppies en parkieten te onderhouden. Maar voor nu geldt: het kerstkind verschijnt zoals het zich aandient. Soms in de gedaante van een baby in een voederbak, soms in hongerig gevederte. Neem onze liefd’ in genade aan. Als het begint te schemeren, hangen de vetbollen vlakbij de struik in mijn tuin en kijk ik vol verwachting toe.

 

Eén reactie op “Marleen Stelling: ‘Hoe ik als kritische theoloog toch van Kerst ben gaan houden…’”

  1. Mooi stukje. Idd. Al dat geweld om geld, omzet, macht, economie. Zelfs de Koopzondagen (Harderwijk) moeten er aan geloven, hoe diep kan dit land nog verder wegzakken ?!!! De Zondagsrust, dat waar ieder mens met gezin, vrienden, kennissen toch recht op heeft. Maar door het voortdurend omzet ‘moeten’ draaien mogen we toch weten dat het niet daarom maar om de Geboorte van de Here Jezus gaat. Gezegende Kerstdagen en een Gelukkig Nieuwjaar.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *