‘De kerk stond tussen mij en God in’

Remmelt duikt dieper in de verhalen van kerkverlaters. Daarbij valt hem één ding op: ze hebben allemaal een positief gemis. Ze zijn op zoek naar iets wat je juist in de kerk zou moeten vinden…

Hoe gelovig kun je zijn om de kerk te verlaten? Gesprekken en mailwisselingen met grensgangers zijn voor mij een training in omgekeerd denken. Zo kwamen er reacties op mijn eerdere uitlatingen; mensen verzekeren mij ervan dat grensgangers niet minder gelovig zijn. Ik ontmoet ze zelf, de diepgelovige kerkverlaters die buiten de bestaande kerk om méér kerk en God ervaren. Hoe pittig wil je het hebben? Dit alles brengt mij er toe om deze richting nog vérder te willen onderzoeken.

Kerk en cultuur leiden tot een spagaat

Ik zie dat veel verhalen van grensgangers gaan over ‘twijfel en zoeken’. Ook zie ik dat de inzichten van mijn gesprekspartners samenhangen met de ontwikkelingen van onze tijd en context. De wereld van de kerkelijke cultuur en die van de seculiere post-christelijke cultuur leiden tot een spagaat. Zijn het dan kerken waar ze het toevallig niet getroffen hadden, waar bijvoorbeeld te weinig ruimte voor geloof en God was? Nee, dat is het punt niet. Er wordt met liefde over de kerk gesproken, ik hoor weinig bitterheid of harde oordelen. En dan toch werd het beknellend, beperkend en klinkt het ineens: ‘De kerk stond tussen mij en God in.’

‘De manier waarop deze grensgangers geloven niet zou misstaan in menig evangelicale of bevlogen gereformeerde kerk’

Zonder kerk, maar met God

Zonder kerk lukt het beter om met God te leven dan met kerk. Ik spreek mensen die stuk voor stuk in het centrum van hun kerkelijk leven stonden. Ik ben bijvoorbeeld een avond op bezoek bij een gezin met jonge kinderen: ze hebben de stap gemaakt. Een andere moeder met eveneens jonge kinderen mailt mij: ze is nog lid van de kerk, maar steeds vaker mijden ze als gezin de kerkdiensten. Weer een andere moeder, ook met jonge kinderen, heeft de stap al gezet en ervaart hier juist Gods leiding in. Geloof bloeit op waar het jarenlang een struggle was. Hier spreek ik mensen die verlangen om sterker met God verbonden te zijn. Ze werden geen van allen met beroerde preken bestookt of met een kille benadering weggekeken. Zo kan het dus ook.

In diverse gesprekken valt de naam van New Wine. Je zou kunnen zeggen dat de grensgangers waar ik je nu mee laat kennismaken in de zomer te vinden zijn op de zomerconferentie van New Wine. Daar is het goed toeven, ze laden daar op, ervaren verbinding en vinden herkenning. Wanneer iedereen naar huis teruggaat, gaan zij dat ook, maar niet naar hun thuiskerk, want die hebben ze achter zich gelaten. Of ze staan op het punt een stap naar buiten te zetten.

Oppervlakkig gezien kun je nu denken: deze mensen moeten gewoon verkassen van gemeente. Bij een andere kerk bloeien ze wel op. Problem solved. Niet dus. Het is waar dat hun manier van geloven niet zou misstaan in menig evangelicale of bevlogen gereformeerde kerk. Daar zouden ze  warm onthaald worden. Maar wat ik ze hoor vertellen, is dat die stap er op dit moment niet in zit. Ze zitten in een fase van ‘minder kerk en meer van God’.

Positief gemis

Misschien is dat het wel: ze hebben allemaal een positief gemis. Naast andere elementen die ook per persoon weer verschillen, is dat een gemeenschappelijke noemer. Een gemis waarvan je bij uitstek verwacht dat je het juist in de kerk kan vinden. Bleek het er niet te zijn dan?

‘De kerk heeft me niet geholpen in discipelschap.’

Een van de meest opmerkelijke uitspraken die ik hoorde was deze: ‘Ik heb niet geleerd om mijn persoonlijke relatie met God te ontdekken en te ontwikkelen. Ik ben uniek, dus de manier waarop Hij met mij omgaat en tot mij spreekt is ook uniek. De kerk heeft mij nooit begeleid in het onderzoeken van mijn eigen identiteit en daarmee mijn identiteit in Christus. De kerk stond tussen mij en God in.’

Het klinkt als vloeken in de kerk. Jarenlange catechese, honderden preken, veel gesprekken en nog steeds blij met de opgedane bijbelkennis, maar dan toch dit gemis. Dit vind ik minstens zo erg als negatief gemis: liefde die ontbrak, ruimte die niet gegeven werd, twijfel die er niet mocht zijn. Dit ‘positieve gemis’ raakt op een andere manier de slagaders van een kerk: het raakt de kerntaak om mensen te helpen om met God te leven en Jezus te volgen. Met andere woorden: de kerk heeft me niet geholpen in ‘discipelschap’: om zelf te luisteren naar Gods stem en om dit in mijn eigen leven toe te kunnen passen.

Als ik dit probeer te begrijpen en ook verbind met andere verhalen en eigen ervaringen, dan zie ik een kerkelijke traditie voor me waar het Woord wel centraal staat, maar waar de persoonlijke verbinding tekortschiet. De leer wordt ervaren als een pakket waarheden en niet zozeer als een gezamenlijk leerproces. Kennis wordt overgedragen, maar het kennen van God gaat zoveel verder dan dat. De kerk is voor de mensen die sprak geen oefenplaats of leerschool. Ik ben ervan overtuigd dat de grensgangers op dit punt de voelsprieten zijn van vele anderen die dit nog niet zo expliciet verwoorden.

Cultuur van regels versus cultuur van genade

Bovenstaande is met veel andere verhalen verbonden door het element ‘oordeel’. Veel kerken hebben jarenlang de indruk gewekt dat je overal wat van moet vinden: er is altijd een oordeel. Als het niet expliciet is, dan wel impliciet. Dit slaat lam. ‘Voor alles is een regel of een procedure in de kerk. Dit heeft mij als persoon denk ik een soort platgeslagen’, hoor ik terug van grensgangers.

Toen ikzelf jaren geleden een coachopleiding volgde, leerde ik om te ‘luisteren zonder oordeel’. Het was of ik Jezus hoorde spreken door mijn atheïstische docenten en tegelijk was het volstrekt nieuw voor me. Bevrijdend en shockerend!

Wanneer ik mensen hoor vertellen over ‘te weinig ruimte’ springt dit er voor me uit: ze voelen zich omgeven door (onuitgesproken) oordelen,  afspraken en meningen die continu je leven bepalen en beïnvloeden. Vaak is het niet eens dat ze de deksel zelf op hun neus kregen, maar het wel bij anderen zagen gebeuren. Dit gaat over een cultuur van regels in plaats van een cultuur van genade. Een cultuur van collectief gedrag dat vaak met onuitgesproken regels een bepaalde lijn trekt. Zelfs vaak zónder het zo te bedoelen. Intussen is het wel de boodschap: ‘zo doen wij dat hier niet’. En dit weet je allemaal, je voelt het. Grensgangers zijn daar extra sensitief voor. Ze voelen zich niet meer vrij , en de onveiligheid komt als een muur op hen af.

Mechanisch geloofsplaatje

Ik wil graag op een ander moment verder doordenken over de oordelen in de kerk. Want juist ook ‘de zoekers en de vrijdenkers’ onder de grensgangers hebben hier hun verhalen over. Op dit moment wil ik slechts één punt maken: wat ik hier hoor, gaat over geslotenheid in een leersysteem, over een waarheid die niet meer functioneert als een beweging van het hart. Het leersysteem komt tussen God en jou in te staan.

‘Een waarheidskader van goed of fout werkt verstarrend’

Dit ervaren is geen overgevoeligheid van de persoon in kwestie. Het is veel eerder een gebrek aan geloofsvorming en karaktervorming die juist eigen zou moeten zijn aan een geloofsgemeenschap. Een waarheidskader van goed of fout werkt verstarrend en maakt consumptief en passief. Het kan leiden tot een mechanisch geloofsplaatje waarin alles vooral op de juiste plek moet zitten om het zaakje draaiende te houden. Is het dan vreemd als steeds meer Godzoekers afhaken? Dit systeem gaat hen niet helpen in hun relatie tot God en tot zichzelf, want wie ben jijzelf nog in dat verhaal van normen en waarheden? Hoe spreekt God dan in jouw leven, in jouw hart en wat geeft hij jou in handen als zijn geliefde kind? Dat kind zit intussen vastgeschroefd op de systeemplaat van richtlijnen en kennisinhoud.

‘Schapen zonder herder’ bevat oordeel

Onlangs liet een predikant zich ergens uit over grensgangers, vol bewogenheid om eerlijk te zijn. Hij gebruikte de uitdrukking ‘schapen zonder herder’. Waar ik vooral bewogenheid voelde, hoorde mijn gesprekspartner op dat moment een oordeel van bovenaf. De ander voelde de ongelijkwaardigheid van een pastor die op zoek was naar dolende schapen die de herder kwijt waren.

Ik ben zelf bijna 10 jaar predikant geweest en weet hoe het voelt om pastor te zijn voor mensen. Om je verantwoordelijk te voelen. Mijn bewogenheid voor grensgangers komt deels uit die periode voort, voor het andere deel uit de ervaring dat ik zelf deel ben gaan uitmaken van de groeiende groep grensgangers, in al hun veelkleurigheid. Wat hier gebeurde, dat iemand er oordeel in voelde, had ik niet zien aankomen. Luisteren en doorvragen helpt nog weleens. Toen ging ik het zien: alleen al door die uitdrukking te gebruiken, sluipt er iets in van oordeel. Grensgangers zouden mensen zonder herder zijn.

‘De stap uit de bestaande kerkvorm heeft hen juist in de armen van de enige herder teruggebracht: Jezus.’

Maar wat als zij zelf zich helemaal niet zo zien? Wat als ze helemaal ook niet zo benaderd willen worden? Als  hier juist een restant zit van wat deze mensen vervreemde van hun thuiskerk? Omdat ze zelf keer op keer ervaren dat de stap uit de bestaande kerkvorm hen juist teruggebracht heeft in de armen van de herder: de enige herder. Jezus.

Mijns inziens worden de herder en de Herder te gemakkelijk vereenzelvigd. De pijnlijke confrontatie is dat de aardse herders het blijkbaar in veel gevallen niet meer lukt om herder te zijn voor deze mensen. Dat gaat volgens mij niet altijd om persoonlijk falen, maar eerder om een systemisch iets wat speelt, een optelsom. Per saldo is er vervreemding en gaat de herder remmend werken in de relatie tot de Herder. Dat is bloedlink en alleen maar bloedserieus te nemen.

Ik werd zelf binnen 24 uur na het bewuste gesprek van ondertiteling voorzien toen ik m’n bijbeltje de volgende morgen opensloeg: Eens dwaalde u als schapen, nu bent u teruggekeerd naar hem die de herder is, naar hem die uw ziel behoedt (1 Petrus 2:25). Geen twijfel over welke herder het bij Petrus gaat: vlak ervoor heeft hij het over de navolging van Christus. BAM. I got it.

Gebrek aan inclusiviteit

Wat hier gebeurt, is volgens mij breder te duiden met ‘inclusief of exclusief’ denken en spreken. Iemand als Tim Keller in New York heeft al jarenlang gepleit voor inclusiviteit in preken en doet dat zelf ook op soms geniale wijze. Toch merk ik dat in veel kerken die gedachte weliswaar omhelsd wordt, maar dat de praktijk nog verre van inclusief is.

De manier waarop het evangelie wordt verwoord en de manier waarop alles eraan toegaat in een kerk kan nog steeds leiden tot een gevoel van ‘buiten of binnen’. Dit schuurt dicht tegen dat gevoel van ‘goed of fout’ aan. Er is wellicht meer openheid voor mensen buiten de kerk, meer begrip voor hun leven, hun zoektocht en hun persoon. Alsof dat niet kon toen mensen nog actief kerkelijk waren. Nee, inderdaad: het was niet allemaal zwart-wit, maar toch werkte het wel als vervreemding naar alles wat niet binnen de kerk thuishoorde.

Er lijkt een omgekeerde beweging te komen: waar de kerkganger zich eerst wat verwijderde van de niet-kerkelijke wereld, vindt nu een omkering plaats: niet alleen de twijfelaar met z’n zoektocht, maar juist ook de diepgelovige die God in z’n ziel gesloten heeft en vol van zijn Geest leeft, kan het niet meer rijmen. Het gebrek aan inclusiviteit in de kerk waarbij er toch sprake is van ‘wij’ en ‘zij’ en er afstand naar de wereld ontstaat, maakt dat deze generatie gelovigen zichzelf buitengesloten voelen. Ondanks dat zij God in alles liefhebben, keert de exclusieve houding van kerkgangers en van kerktaal zich tegen hen. Het blokkeert. Deze exclusieve beweging remt en vervreemdt hen niet langer van de omgeving, maar van de kerk zelf.

‘De persoonlijke conclusie om kerknomade te worden is dan alles behalve vreemd…’

Het is de keerzijde van een proces waarbij mensen Jezus volgen en dus hun ogen openen naar buiten. Gelovigen die daardoor anderen veel meer kunnen begrijpen en liefhebben. Het is het gevolg van relaties die veel opener zijn en in veel meer verschillende netwerken zich bewegen. Dat kun je niet meer samenbrengen met een houding die nog stamt uit een kerkelijke traditie van homogeniteit waarbij de wereld op afstand werd gehouden om de eigen identiteit te beschermen. Wat ooit werkte als bescherming, is intussen voor steeds meer mensen onveilig geworden. Ten diepste voelt de grensganger zich hier ongesteund door de kerk en in de steek gelaten. De persoonlijke conclusie om kerknomade te worden is dan alles behalve vreemd.

Wat bezielt jou?

Wat bezielt deze grensgangers? De vraag andersom stellen is spannender: wat bezielt al die andere kerkgangers eigenlijk? De grensganger is hier iemand die vertelt over z’n relaties in de buurt en gesprekken met wildvreemde mensen. Ik proef de passie. Ik hoor ervaringen die niet van gisteren zijn. Door de jaren heen heeft zich een ontwikkeling voltrokken bij deze mensen. Ze zijn ‘naar buiten’ gegaan en hebben hun wereldbeeld bijgesteld, maar keren vervolgens in hun kerk terug met een gevoel van verbazing. Verbazing dat andere kerkgangers dit niet herkennen en zich druk maken over heel andere dingen.

Je kunt uitsluiting voelen als jouw wereld daar ‘binnen’ niet herkend en gedeeld wordt. Je kunt je buitengesloten of in de steek gelaten voelen wanneer je merkt dat mensen uit jouw omgeving hier nooit zomaar zouden kunnen binnenlopen. Jouw kerkelijke thuis blijkt amper in staat een thuis voor jouw context te kunnen zijn, laat staan jou te kunnen steunen in de zoektocht die dat met zich meebrengt: leven als christen in deze tijd.

‘Er ontstaat een wereld van verschil binnen de kerk.’

Het is een vorm van door de bomen het bos niet meer zien. In dit geval de kerk die door de ogen van de bezielde grensganger het evangelie wel brengt, maar niet doorleeft en het niet weet te plaatsen in het hier en nu van de eigen omgeving. Je ziet andere geloofsgenoten zich druk maken om het onkruid wieden in de kerktuin, terwijl  jij met heel andere verhalen thuiskomt die je hart raken. Er ontstaat een wereld van verschil, maar nu binnen de kerk.

Deze reactie spreekt voor mij boekdelen: ‘Mijn man vroeg me laatst op de vrouw af of het niet tijd werd om het allemaal even los te laten, omdat de frustraties teveel energie kosten. Voor het eerst voelde dat als een bevrijdende optie.’

Het grote verhaal

Voor de een is de stap al jaren geleden gezet, de ander heeft de kerkdeur nog op een kier staan. Het zou me een lief ding waard zijn als kerken leren in de spiegel van deze en andere grensgangers leren kijken, zonder meteen hun oordeel klaar te hebben. Het is een complex verhaal, maar het is volgens mij wel ons verhaal: dat van gelovigen binnen en buiten de kerkmuren. En het is het verhaal over Gods Koninkrijk dat groter is dan de kerk en altijd al de neiging in zich had dingen op hun kop te zetten. Daar kan dit ook nog wel bij.

Intussen blijf ik benieuwd naar jouw verhaal, jouw bezieling en zoektocht als je hier dingen herkent. Dus blijf reageren! 

> Lees ook deel 1 en deel 2 uit de serie van Remmelt over grensgangers.

 

5 reacties op “‘De kerk stond tussen mij en God in’”

  1. ‘Ik heb niet geleerd om mijn persoonlijke relatie met God te ontdekken en te ontwikkelen. ‘ Die uitspraak had van mij kunnen zijn! Wat mooi om te lezen dat er meer mensen zijn zoals ik. Grensgangers. Minder kerk, meer van God. Bedankt voor deze mooie, herkenbare artikelen!

  2. Ik denk dat je zeker buiten een Kerk wel meer warmte en liefde kan ontvangen, dan in een Kerk alleen. Daarbij zijn er Kerken waar je je meer op je plaats kan voelen dan bij een andere. Natuurlijk kunnen er ook daar altijd wel strubbelingen zijn. Maar waar is dan de liefde onderling in sommige Kerken, of Catechesaties, Jeugdverenigingen, Zondagscholen etc… ? Ik heb ook (niet altijd)jarenlang haat en nijd onder elkaar ervaren. Is dit dan de bedoeling van het Christelijk zijn ? Ik kreeg altijd mee dat we lief en aardig voor elkaar moesten zijn, zeker in eigen kringen. Had daar een heel ander beeld van. Ja maar je komt voor het Geloof maar niet voor dit of dat ? Hallo, maar waar is dan die Eenheid die er zou moeten zijn ? We zijn toch immers broertjes en zusjes ? Wat is daar dan van over ? Of al die Kerkscheuringen dan ? Je krijgt vaak verwijten van sommige Predikanten. Dit niet goed dat niet goed. Waarschuwen is prima maar moet dat dan week in, week uit, een hele Preek lang ? En als je om bepaalde redenen een Kerk bent uitgestapt krijg je nog een trap na ook. Net of het in een Kerk zoveel beter zou zijn. Je hoort de roddelpraat voor aanvang van een dienst hardop dwars door een Kerk heengaan. Iedereen kan meegenieten. Of de haat en nijd die er onderling is. Ik krijg soms wel eens het idee dat een Predikant meer met de mensen in een Kerk van doen heeft dan de mensen erbuiten, die het misschien op een andere manier invullen. Daarbij kunnen mensen ook vanwege ziekte zoals chronisch of psychisch bijv. geen kans zien om naar een Kerk toe te gaan. Je kan hier jarenlang eindeloos discussies over blijven voeren, maar wij (zowel in als buiten een Kerk) moeten weer opnieuw gaan leren hoe we weer een Eenheid leren vormen. Dit doe je overigens niet door het uitnodigen alleen. Maar door interesse tonen, erbij betrekken, open staan voor elkaars opvattingen en inzichten (ook al zullen er altijd wel meningsverschillen zijn en blijven). Ik vrees wel eens, niet te hopen natuurlijk, (en dat geldt voor ons allemaal), dat er eerst iets moet gaan gebeuren in dit tijdelijke leven, alvorens mensen weer echt gemeend naar een Kerk toe zullen gaan. Vaak als er steeds meer teloorgang en vervalt intreed, is dit niet ondenkbaar. Ik hoop en bid dat Kerken weer opnieuw mogen groeien en bloeien in dit tijdelijke leven.

    1. We vergeten te snel dat een kerk uit mensen bestaat. Dat “De kerk” eigenlijk niet bestaat. Ook “De kerk” is een verzameling van kerken. En dus een verzameling van allerlei mensen. Mensen met al hun eigenaardigheden en verborgen agenda’s. Ook een predikant is slechts een mens. En velen van hun zijn meer predikant dan evangelist. Meer hoeder van de schapen (en hun eigen portemonnee), dan brenger van het goede nieuws. En op zich allemaal heel logisch hoor, want niets menselijk is ons vreemd. Maar…..
      Alle regels en wetten binnen deze kerken zijn dan ook door ons mensen bedacht en niet meer dan dat! Waar wij grensgangers veel tegen aan lopen zijn nu juist die regeltjes. Willen we vanuit onze liefde en enthousiasme voor Jezus iets doen, iets organiseren, dan worden we direct “afgeremd”, “stopgezet” om maar te voorkomen dat we buiten de “bedachte paden” gaan lopen. Om maar te voorkomen dat we een spreker aan het woord laten die weleens meer overtuigd kan zijn dan onze eigen predikant.
      Dat “afremmen” en “stopzetten” gebeurd overigens door slechts een heel klein deel van de gemeente. Door degenen die zo nodig aan de touwtjes willen trekken. De meeste gemeenteleden of bemoeid zich er niet mee of interesseert het helemaal niet. De meeste gemeenteleden “willen het graag gezellig” houden. En dat is nu ook direct weer de achilleshiel van het Christendom. Doordat we zo zijn gehersenspoeld met het liefdegebod, durven we mekaar niet eens meer de waarheid te zeggen. Daar waar een “flinke trap onder je reet” juist weleens meer liefhebben kan betekenen dan dat eeuwige ge-pamper. En uiteindelijk leidt dat ertoe dat we de handdoek maar in de ring gooien. En zo verdwijnen juist die mensen uit de gemeentes die anders graag de schouders eronder hadden willen zetten. En juist die groep die groei had kunnen genereren.

  3. Een ‘cultuur van regels’ en een ‘cultuur van genade’ worden hier te gemakkelijk tegen elkaar uitgespeeld alsof het twee absolute tegenovergestelden betreft. Kan het niet zo zijn dat de relatie tussen beiden complexer is? De Franse filosoof Jacques Derrida spreekt in zijn latere werk vaak van de ‘aporie van de wet’: de Wet van Rechtvaardigheid of Gastvrijheid, die absoluut en niet onderhandelbaar is, kan geen gestalte krijgen zonder concrete wetten die Rechtvaardigheid en Gastvrijheid ook altijd geweld aandoen. Lees: concrete wetten, regels, en niet concrete handelingen of werken. Daarachter schuilt het idee dat Rechtvaardigheid te kwetsbaar is om aan het wisselende gemoed van individuen overgelaten te worden en dat het vatbaar is voor misbruik als het niet wordt gereguleerd – wetende dat een huidig stelsel van wetten en regels nooit volledig kan samenvallen met absolute Rechtvaardigheid. Oftewel, er moet uiteindelijk altijd onderhandeld worden over iets wat in principe niet onderhandelbaar is. Ik geloof dat we hetzelfde kunnen zeggen over genade. Om te voorkomen dat een ‘onmogelijke’ deugd als genade zichzelf om zeep helpt zijn er zekere regels nodig die haar beschermen en haar daarmee tegelijkertijd mogelijk en onmogelijk maken.

    Ik moet hier ook denken aan wat G.K. Chesterton zegt in Orthodoxie: niets is zo gevaarlijk als losgeslagen christelijke deugden. Barmhartigheid bijvoorbeeld kan volgens hem enkel goed functioneren als het ‘op de juiste plaats’ wordt gehouden in een ethisch stelsel dat allerlei tegenstrijdigheden omvat. Tegenstrijdigheden, want is er naast de genade ook niet de tucht? En is er naast het niet-oordelen ook niet het spreken van harde profetische woorden? Er is altijd een oneindige spanning tussen het evangelische ‘er staat geschreven…’ en ‘maar ik zeg u…’. Het is volgens mij niet de bedoeling dat we het ene opheffen omwille van het andere, maar dat we leren om ons te bewegen in de spanning die tussen beiden wordt opgeroepen.

    Wat ik met dit alles wil zeggen: een ‘cultuur van regels’ in een kerk is er niet omwille van zichzelf (hoewel dat in sommige gevallen zeker zo is), maar omwille van het beschermen en mogelijk maken van een ‘cultuur van genade’.

    Daarnaast nog een andere gedachte. Er wordt gezegd: “de kerk is voor mensen die ik sprak geen oefenplaats of leerschool” en, uit de mond van een kerkverlater, “Ik heb niet geleerd om mijn persoonlijke relatie met God te ontdekken en te ontwikkelen”. Natuurlijk ken ik het verhaal van deze mensen niet en ik wil niet ontkennen dat de kerk een uitdaging voor het geloof kan zijn. Maar ik zou er graag een vraag tegenover willen plaatsen: Is niet juist dat getob met medechristenen die alles behalve perfect zijn, met de starheid van oudere generaties, met verschillende opvattingen over hoe en wat en met een log regelsysteem niet bij uitstek wat de kerk tot een leerschool maakt? Een leerschool in geduld, verdraagzaamheid, liefde voor mensen die je niet uit kunt staan, et cetera. Leer je niet juist daar dat de God met wie je zo graag een persoonlijke relatie wilt ontwikkelen zich nooit geheel laat vormen tot hoe jij hem graag zou zien?

    Buiten de kerk zal vast veel geloof te vinden zijn en binnen de kerk veel ongeloof. Maar dreigt die God van de kerkloze gelovigen niet snel een al te gezellige en bevestigende suikeroom te worden? Wordt geloof niet te veel een individueel project? Zoals Stefan Paas in Vreemdelingen en priesters zegt (in een hoofdstuk dat elders op deze site te vinden is): een persoonlijk geloof is geen individueel geloof. Dus ja, “ik ben uniek”, maar niet direct “dus de manier waarop Hij met mij omgaat en tot mij spreekt is ook uniek”. Niet helemaal onwaar, maar de manier waarop Hij spreekt is ook door zijn kerk, waar je als uniek persoon deel bent van een gemeenschap. Een inzicht dat ik o.a. bij Paas tegenkwam is dat God zich maar zelden tot individuen richt en veel vaker tot gemeenschappen. Of preciezer: hij richt zich via individuen (profeten en priesters) tot de gemeenschap. Vandaag wil iedereen profeet zijn, maar dat idee komen we in de bijbel nauwelijks tegen.

    Natuurlijk zal de kerk, iedere kerk, altijd aan gebreken lijden. Wat ik heb geleerd van een vriend die zich recentelijk tot het katholicisme heeft bekeerd, is dat je desondanks kan geloven dat die gebrekkige kerk ook heilig is (dat vraagt in deze tijd, maar waarschijnlijk in alle tijden, om een groot geloof!). Ondanks de gebreken, en op sommige momenten misschien juist vanwege de gebreken. Wat ik ook van hem heb geleerd is dat de kerk ook een plaats kan zijn waar je niet altijd alles zelf hoeft te geloven en ervaren, maar waar je ook kan terugvallen op het geloof van je medechristenen. Niet altijd maar Luthers “hier sta ik”, maar soms ook “hier staan wij”.

  4. Ik herken een hoop in het verhaal. Ik ga inmiddels zo’n half jaar niet meer naar de kerk. Trouwens, ik ben de kerk. Ik denk dat God mij duidelijk wil maken dat ik afstand moet nemen van het instituut de kerk om te ontdekken wat Hij nou werkelijk voor ogen heeft met Zijn kerk.
    Ik moet ook zeggen dat ik ervaar dat ik ben gegroeid in mijn relatie met God. Ik geloof absoluut wel in de gemeenschap en de onderlinge band die gelovigen met elkaar kunnen hebben. Ik weet zeker dat God dat ook wilt alleen denk ik ook dat hij buiten de huidige kerkmuren iets nieuws wil beginnen wat meer overeenstemt met zijn oorspronkelijke plan.
    Maar ik zou zeggen volg niemand anders na dan Jezus zelf, Hij wil jou de juiste weg wijzen. Hij gaat met iedereen een andere weg. Zoek de heer terwijl Hij te vinden is, roept hem aan terwijl Hij nabij is en laat je leiden door Zijn geest. Hij is de enige die je kan leiden in de volle waarheid.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *