Kerstverhaal | Liefste Maria, het was niet mijn kind

Alain schreef een bijzonder kerstverhaal waarin Jozef en Maria af en toe het gezicht krijgen van zanger Leonard Cohen en zijn geliefde Marianne Ihlen. 

Liefste Maria,
Het jaarlijkse verval van de natuur is weer ingezet en de koude straten van de stad waarin ik woon, worden vlijtig opgesierd met lichtjes, opgevrolijkt met muziek. Mij verwarmt het niet meer.

De kou heeft dit jaar voor het eerst mijn oude botten bereikt en ik kreeg het nieuws dat ook jij stervende bent. Strek je hand naar voren en de hemel zal je opnemen, Maria. Strek je hand naar achter en je raakt aan mijn vingertoppen, want ik zal je spoedig volgen. Ik ben er klaar voor. Onze laatste kerst.

Kerst, dat knusse familiefeest waarin vader, moeder en koters zich samen laven aan de geborgenheid van een harmonieus haardvuur. Daar lachen wij bitter om en dat geldt anno 2017 voor veel, heel veel anderen. We leven in de eeuw van het gebroken gezin. Sommigen uit elkaar gedreven door een of andere Herodes, wanhopig op zoek naar een herberg. Anderen uit elkaar gedreven door de realiteit die de romantiek zo vaak weet in te halen: 35.000 echtscheidingen per jaar.

Niet mijn kind

Het was niet mijn kind. Denken ze daar wel genoeg aan, de stalletjesbouwers die Jozef, Maria en Jezus door dieren omringd op hun schoorsteen zetten?

Het was niet mijn kind. Ik ontfermde me over een single moeder, zette haar op een ezel, deed alles wat ik kon om haar warmte en bescherming te bieden.
Het was niet mijn kind. Jij en ik waren er voor elkaar op een cruciaal punt in onze levens, maar ik verdween op een zeker moment ook weer uit het verhaal van jou en de zoon. Het kerstverhaal is in eerste instantie en in ieder opzicht het feest van een samengestelde familie.

Ik weet niet waarom ik jullie verliet. Waarom ik jouw armen verruilde voor jongere vrijere wildere, maar vooral tijdelijke varianten. Terwijl het engelenkoor nog halleluja zong, hoorde ik buiten een klein groepje dronken herders. Terwijl de os en de ezel zich over het nieuwgeboren kind bogen, zong er buiten een vogel, dansend op de elektriciteitsdraad. Wat ik buiten hoorde was de lokroep van vrijheid, de grootste verleidster van onze tijd.

Bedroog ik je omdat ik me eerst door jou bedrogen voelde? Jij en de zoon waren onafscheidelijk. Madonna-met-kind. Daar komt een vader sowieso al moeilijk tussen, maar dit was ook nog niet eens mijn kind. Moeder, zoon en God, een drievoudig snoer dat ik met mijn hartstocht niet kon verbreken.

Misschien verliet ik jullie wel gewoon vanwege de klassieke oerzonde van ieder mens: omdat ik niet kon leven met het feit dat ik God niet was. In die eerste maanden klampte jij je aan mij vast alsof ik een crucifix was. Ik was jouw messias, de redder die het zwangere tienermeisje van de schande redde.

Met het jaar werd het duidelijker dat het kruis en de schande niet voor mij waren om te dragen. Het lijden zou groeien, onvermijdelijk over je neerdalen, maar ik zou er geen deel van uitmaken. Zoals ik bij zijn verwekking geen rol speelde, zo zou ik bij de kruisiging ook afwezig zijn. De piëta is voor twee personen, en ik was niet een van hen.

Zoekend naar die herberg

Maar laten we onze laatste uren niet verspillen aan een futiele poging om de liefde te ontrafelen. Dat is geen manier om vaarwel te zeggen – liever verzucht ik, liefste Maria, dat ik jouw liefde en de mijne zo graag had zien rijmen. Maar het is als met de harp van koning David. Hij kreeg iedereen gesust met zijn snarenspel, tot aan zijn aartsvijand Saul toe, maar met God bleef hij een vechtrelatie hebben. Op de liefde hebben we net zoveel grip als op de getijden aan de kustlijn.
Zo werd ik veroordeeld tot het najagen van alle dromen – ik ben tenslotte vernoemd naar een dromenkoning – behalve die over jou en mij. Ik verloor me in het succes van een carrière, tussen de borsten van Magdalena’s, onder de rook van bedwelmende middelen – intussen elke dag zoekend naar die herberg, naar die stal.

Jouw leven ging naar het moederschap staan. Eerst als een fiere ridder die trouw zweert aan het heerschap, later als een gebogen monnik die een leven lang over hetzelfde boek heeft gehangen, tenslotte als een kronkelende worm aan een haak. Want je bent dan de enige schoot die het hoofd van de Mensenzoon kon dragen – op welke borst kan jouw vermoeide hoofd dan leunen, Maria? De vraag die met regelmaat aan elke moeder gesteld zou moeten worden, aan jou voorop.

Zijn we zo niet een modelgezin voor de nieuwe tijd? De biologische vader onvindbaar, de stiefvader slechts een voorbijganger, de moeder zo zorgzaam en lijdzaam en lijdelijk. En wat het kind betreft: de wereld lag aan zijn voeten, met alle kans om onze fouten opnieuw te maken of juist goed te maken.

Op die manier redt ons kerstverhaal het nog wel tot de 22e eeuw. Hoeveel single Maria’s maken dit seizoen weer overuren in de warenhuizen om de schoen- en boomcadeaus te kunnen bekostigen? Hoeveel Jozefs drinken hun glühwein in een troosteloos café, mijlenver van de stal die zij missen? Hoeveel lege stoelen worden krampachtig verzwegen op de tienduizenden familieavondjes van de zalige dagen? Al dat soort kerstverhalen, ze staan dichter bij de bron dan de engeltjesstal. Die barst in onze geschiedenis maakt het tot een eeuwig geloofwaardig Lichtfeest.

Laatste december

Deze kerst zag ik onze ster weer even hoog aan de hemel staan. De engelen die wij eerst omarmden, toen negeerden en later vergaten, waren er ook weer bij. Ik zag hen langzaam vallen en wist dat ik me moest opmaken voor een laatste december.
Die nacht droomde ik van een bedelaar. Leunend op zijn wandelstok keek de man me indringend aan en zei zeven keer: ‘Jozef, je moet met weinig genoegen nemen’.
Hij schonk me de bittere mirre van de tekortkoming, van de zoektocht, van de zeven magere jaren.

Hij liet me de kerstdagen zien dat ik in een krappe hotelkamer woonde, met een kraan die warm noch koud water gaf. Het eenzame jaar dat de enige kerstman die ik zag mijn eigen spiegelbeeld was, met m’n witte baard van scheerschuim. Mijn kerstdagen in het klooster, toen ik me met lichaam, geest en ziel aan de heilige armoede had overgegeven.

‘Jozef, je moet met weinig genoegen nemen’.

In mijn tweede droom stond er een prachtige naakte vrouw voor mijn ogen. Speels leunend tegen mijn deurpost keek de vrouw me uitdagend aan en zei zeven keer: ‘Jozef, durf eens wat meer van het leven te vragen’. Ze schonk me het goud van de rijkdom, van de luxe, van de zeven vette jaren.

Ze liet me die kerstnacht zien dat ik als aantrekkelijke jonge poëet met een oude ziel kon kiezen welke schoonheid mijn bed warm zou houden. Het jaar van het hoogtepunt van mijn roem, van de grote kerstconcerten in prestigieuze zalen. Mijn kerstdagen in een tropisch kuuroord, zonder sneeuw maar vol witte poeders.

Ik wachtte op de derde droom, Scrooge indachtig, ik wachtte op de derde wijze, ons kerstverhaal indachtig, maar het bleef bij twee. Toen ik wakker werd rees het besef: ik bepaal zelf de geest van kerst dit jaar, ik ben zelf de wijze met de wierook. Welke geur er ten hemel rijst is in mijn handen.

Wierook

Maria, zo leven wij. Tussen erotiek en eenzaamheid, tussen armoede en overvloed, tussen knielbankjes en tronen. Soms is het goud, soms is het mirre. Altijd is er de wierook, de geest waarin wij leven, de wind die we onder onze vleugels kiezen.
De dagen dat we winnen, zullen we dan dansen met de gratie van een godenzoon? Zullen we dan uitbundige oogstfeesten vieren en delen met een arme Lazarus? Zullen we dan paleizen met gouden kranen bouwen of tempels en opvanghuizen?
De dagen dat we verliezen, zullen we dan ons hoofd hatelijk afwenden of het omhoog richten in een klaagzang, het neerbuigen in heilige overgave? Zullen we zinnen op wraak of liefhebben en vergeven? Zullen we vriendelijk blijven als het leven ons mishandelt?

Het leven biedt ons winst en verlies, lieve Maria, goud en mirre, maar welke kaarten God ons toebedeelt is niet het meest belangrijk. Wat ertoe doet, is dat God ons zelf de wierook laat selecteren. Wij zijn zelf de Derde Wijze die bepaalt welke geur er van ons uit opstijgt ten hemel.

Terwijl ik me zo een weg baan tussen winkelcentrum en kathedraal, tussen geboorte en ruïne, tussen haviken en vredesduiven, keer ik terug naar de simpele woorden van vroeger. Een zwijgende dankzegging, een gekalmeerd Hallelujah. Een mea culpa, vooral dat.

Een spijt van elke kerst die ik niet met jou doorbracht, Maria. De belofte dat ik er zal zijn, straks, als we de doodsstorm doorstaan en onze lichamen achterlaten. Dat ik je zal volgen op je weg naar de zon. Deze keer een trouwere reisgenoot zal zijn.

Misschien had ik het vooruitzicht op de eeuwigheid nodig om dat te beseffen. Dat mijn liefde voor jou oneindig was, dat mijn trouw voor jou meer rek had dan ik toe wilde geven. Dat het beeld van jou, mij en God te mooi is voor deze werkelijkheid en daarom, juist daarom vereeuwigd moet worden in lichtgevende stallen, in stampvolle kerstnachtdiensten, in schreeuwende etalages. Want de meeste is de Liefde.

Opgedragen aan Leonard Cohen en Marianne Ihlen, die vlak na elkaar overleden in 2016.

Dit kerstverhaal is eerder in opdracht van De Nieuwe Koers  gemaakt en gepubliceerd. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *