De eerste antwoorden laten waaien

Rikko geeft op de vroege ochtend inspiratie om de dag bewust te beginnen. Hij leest om 6 uur de teksten uit een oud kerkelijk leesrooster en zo rond 7 uur deelt hij de gedachte die dan op-popt. Elke werkdag te lezen en te beluisteren. 

De eerste antwoorden laten waaien

De wind jaagt om het huis. Flarden van gedachten schieten door mijn hoofd, maar geen enkele blijft haken. De teksten, die ik elke ochtend lees vóór ik aan de dag begin, geven geen houvast. Ze gaan over Jozef, je weet wel, met die gekleurde mantel, voorgetrokken door zijn vader, gehaat door zijn broers en door hen verkocht aan slavenhandelaars naar Egypte, alwaar hij koning werd en voor het voortbestaan van zijn familie zorgde. Absurde theatrale reis van Odyssee-achtige proporties. Maar wat moet je ermee? En Jezus van Nazareth vertelt vanochtend dat ook hij als een zoon op pad is gestuurd, net als Jozef, om zijn broers iets duidelijk te maken. Maar dat ook zijn verhaal niet echt landt. En dat dit consequenties zal hebben voor hun toekomst. Worden ze niet vrolijk van. Ook daar bedenken zijn broeders plannen om hem te doden. Gek maar ik kan er niets mee. Ik kan het verhaal opnieuw vertellen maar hoe gaat dit in godsnaam over jou en mij? Ik voel me geen uitgezondene, hoogstens soms een broer die met jaloezie een ander zijn bevoorrechte positie niet gunt. Nou, sjonge. Ik ben vast ook wel geroepen, maar om nu in iedereen meteen een miskende jozef te gaan zitten zien, die moet lijden en met een goddelijke opdracht de wereld tot bekering moet dringen en daarom gehaat zal worden. Gedoe is dat. Die verhaallijntjes ken ik al en het gaat niet over mij. Niet over jou ook denk ik. Het blijft stil in mijn hoofd. En de wind blijft jagen langs het balkon en de ramen en rukt aan alles wat los en vast zit. Wat los zit gaat mee, wat vast zit blijft zitten. Al mijn gedachten zitten los en gaan mee. De verbindende lijn tussen de teksten is misschien wel dat degenen die we irritant vinden weleens een belangrijke voorbestemming zouden kunnen hebben in een of ander goddelijk plan. Maar ik weet niet of je die omkering mag maken. Jezus is irritant, Jozef is irritant, Jozef en Jezus hebben een belangrijke rol. Alle mensen met een belangrijke rol vinden we irritant. Of erger nog: alle irritante mensen hebben een belangrijke rol. Het is vast niet waar. Je mag toch hopen dat het niet waar is.

Alle beweringen die opkomen, glijden ook weer als los zand door mijn vingers.

Wat overblijft is stilte. Is het niet-weten. Het suizen van de wind. En de vraag. Misschien dat dan alleen: de vraag. Waarin ben ik Jozef, Jezus of de broers? En dan niet meteen antwoord geven. Want dat gaat te snel. Niet een antwoord forceren zoals we dat zo vaak doen als er antwoorden worden gevraagd. Ik in elk geval. Dan wordt er een vraag gesteld en begin ik alvast te praten zonder het te weten omdat dit nu eenmaal van je verwacht wordt. Dat je antwoord geeft. En soms komt er dan iets zinnigs uit, soms moet ik halverwege mijn antwoord concluderen dat ik het echt niet weet. En het dan maar zeggen. Genant momentje.

Deze vraag: ben ik geroepen? Heb ik iets te zeggen? En dat dan niet dogmatisch beantwoorden met een soort strenge toon die vooral mezelf moet overtuigen dat ik natuurlijk geroepen ben om – lief te hebben, of Gods woord te brengen of andere lege zinnetjes – eerst maar eens de vraag stellen. Echt stellen. Misschien ben ik ook wel de broers, de afwijzing, het niet willen weten. Dat komt daarna wel. Eerst maar eens de rol van brenger van iets en de mogelijke afwijzing die daarbij hoort. Wederom niet als zelfrechtvaardiging. Want we kunnen het weer niet omdraaien, zo van: goddelijke boodschappers worden afgewezen. Ik wordt afgewezen. Ik ben een goddelijke boodschapper. Of: ik had een goddelijke boodschap. Syllogismes zijn grappig vooral, maar meestal niet waar toch?

Wat breng ik? Wat heb ik meegekregen tussen mijn broers en zussen? Wat maakt mij individu? Anders dan de anderen? Niet om uniek te willen zijn maar om te beseffen dat de oproep aan mij anders is dan die aan jou. En dat ik daarmee een weg heb te gaan. Een weg met putten en deksels en feestjes en ruzie en alles. Maar daaronder ligt een vraag, aan mij gesteld. Niet fysiek, maar wel voelbaar als ik maar lang genoeg stil zou kunnen zijn. Een dag of veertig misschien. Want dat is het nu: veertigdagentijd. Woestijntijd. Mooi moment om weer de stem in de stilte te zoeken. De echo van de stem die allang iets heeft geroepen en die wacht op antwoord. In wat ik doe. En waar ik voor ga.

Stilte en luisteren. Mooie uitdagingen voor deze dagen. Met als belangrijkste aandachtspunt om snelle makkelijke antwoorden te laten wegwaaien. En dan te blijven luisteren. Tot het klopt.

Hier vind je drie tekstgedeeltes die Rikko vanochtend las.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *