scene uit Doof Kind

‘Ik eer mijn ouders wanneer ik respecteer dat ze doof willen blijven’

Samuels ouders zijn doof en dat was niet altijd even makkelijk voor hem. Genezing, dat zou de oplossing zijn, zo dacht hij lange tijd. Maar daar is hij van teruggekomen. Hij schrijft erover na het zien van de documentaire Doof Kind.  

Als kind wilde ik van alles: de mooiste Transformers, de nieuwste spelcomputer, maar het allerliefste wilde ik een vader en moeder die kunnen horen. Mijn ouders zijn namelijk doof en dat vond ik best lastig. Ik hield niet van aandacht, stond niet graag in de schijnwerpers. Maar wanneer ik voor mijn ouders tolkte, voelde ik me bekeken door omstanders. Ik wilde fluisteren, maar het hele idee van gebaren is dat ze zichtbaar moeten zijn. Bellen naar instanties, onderhandelen bij de autodealer en brieven uitleggen omdat mijn ouders een taalachterstand hadden: het was een onderdeel van mijn jeugd.

Van jongs af aan maakt ik van dichtbij mee hoe ontoegankelijk de samenleving is voor iemand met een handicap. Ik zag hoe anders het bij mij thuis was, staarde me vooral blind op onmogelijkheden. Genezing zou dé oplossing zijn. Maar daar wilden mijn ouders niks van weten: ‘Zo zijn we gemaakt.’

Wil God niet dat mensen doof zijn?

Binnen mijn evangelische geloofstraditie leeft het idee dat God niet wil dat de mens ziek is. Op zichzelf vind ik dat geen vreemde gedachte. Het gehoor van mijn ouders doet niet waar het voor gemaakt is. Maar hoe gaan we om met die imperfectie? Is het inderdaad Gods bedoeling dat er geen doven meer zijn?

Toen ik laatst met mijn moeder de documentaire Doof Kind bekeek, kwamen deze vragen ook boven. In de documentaire portretteert regisseur Alex de Ronde zijn dove zoon Tobias. Die krijgt in de documentaire de vraag of er een moment komt waarop er geen doven meer zullen zijn. Het bevestigende antwoord wordt gegeven met een fikse portie weemoed. De medische wetenschap zal doofheid misschien ooit uitbannen, maar daarmee zullen ook de taal en cultuur ophouden te bestaan.

Trots op de eigen taal

Mijn ouders hebben elkaar leren kennen op een school voor doven in Voorburg met de naam Effatha. De naam is het Aramese woord dat Jezus zegt wanneer hij een dove geneest (Marcus 7:31-37) en het betekent ‘ga open’. Ik vind het eigenlijk wel opmerkelijk: in je schoolnaam verwijzen naar een genezingswonder, terwijl je de kinderen leert omgaan met hun beperking.
Mijn ouders trouwen en worden lid van een pinkstergemeente in Den Haag. Dit is een stroming die onder andere bekend staat om aandacht voor gebedsgenezing. Toch zag ik er hetzelfde principe als op Effatha: er werd geen poging gedaan om de doofheid weg te nemen. De kerk hielp dove gemeenteleden om te leven met God. Het was zo’n grote groep dat er iedere dienst getolkt werd.

Ik zag mijn ouders enorm opbloeien wanneer ze zich begaven binnen deze christelijke dovencultuur. Begrijp me goed, dat was geen lotgenotencontact. Doven vragen niet om medelijden. Ze zijn juist trots: ze hebben hun eigen taal. Het contact is direct, je kijkt elkaar aan. Geloofsgesprekken gaan sneller tot de kern en er wordt zelden een omweg genomen. Ik worstelde met de doofheid van mijn ouders, Maar zij hadden het al lang geaccepteerd. Dat gaat geleidelijk. Aan de ene kant is het gewenning aan een manier van leven, aan de andere kant de omarming van het moois dat doofheid ze heeft gebracht.

God is erbij…

In de docu Doof Kind ontmoet hoofdpersoon Tobias in de tram een evangelist die hem wil genezen van zijn doofheid. Na wat pogingen, uitgebeeld met woeste goochelbewegingen, loopt het allemaal op niks uit. Het verhaal wordt met de nodige humor verteld, maar het blijft aan me knagen dat zo’n evangelist ervan uitgaat dat iemand die doof is genezing wil. Het is een hardnekkige misvatting onder gelovigen dat de vrucht van geloof zich toont in een leven waarin elke oneffenheid is weggepoetst. Geloven is godsvertrouwen, hoe de levensweg ook gaat.

Bij mijn ouders was er nooit twijfel aan de liefdevolle betrokkenheid van God. Dat zij doof waren, deed daar niks vanaf. Waar ik nog hoopte op een wonder, was Jezus voor hen genoeg. Hij is erbij is wat ik altijd als sms’je van mijn moeder krijg wanneer ik voor een uitdaging sta. Jezus genas mensen, maar ging zelf stuk. Hij was vertrouwd met ziekte en lijden. Ik geloof in de Zoon van de Perfecte die zich ultiem vereenzelvigde met de gebrokenen.

Eer je vader en moeder

‘Eer je vader en je moeder’ is een van de wetten die God liet vastleggen in steen. Eerder vertaalde ik dat vooral in het helpen van mijn ouders. Dat ik door mijn horend vermogen juist dat kon aanvullen waar het hen fysiek aan ontbreekt.
Daar ben ik van teruggekomen. Natuurlijk kan ik hen helpen, maar is eren niet eerder het vieren van wie ze zijn? Na alles wat ik van hen heb geleerd, geloof ik dat ik recht doe aan hun bestaan wanneer ik met trots hun taal spreek. Met grote gebaren, waarom zou ik ze nog verbergen? Ik eer mijn ouders wanneer ik respecteer dat ze doof willen blijven en wanneer ik met hen waardeer hoe mooi ze zijn gemaakt. Ik bid niet langer om genezing van mijn ouders, maar ik bid eerder dat ik nog meer de schoonheid kan zien in de imperfectie.

De afbeelding hierboven komt uit documentaire Doof Kind. De documentaire verschijnt 12 juni op dvd. Hier kijk je of de film nog in een bioscoop bij jou in de buurt draait.


In een open brief schreef Samuel aan zijn ouders hoe hij terugkijkt op zijn jeugd en bij tv-programma De Verwondering sprak hij over wat het tolken voor zijn ouders hem bracht.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *