godsargument

Hersenkraker: dit is het nieuwste godsargument

Filosoof Emanuel Rutten bedacht een nieuw argument voor het bestaan van God, geïnspireerd op het werk De Sofist van Plato. Een echte hersenkraker, dus een mooie weekend-uitdaging (laat je niet ontmoedigen door het jargon).   

Het zijn is en het niet-zijn is niet. Het is dwaas om te zeggen dat het niet-zijnde ís en het is een dwaling om te beweren dat het zijnde níet is. Hierop stoelt de Griekse filosoof Parmenides van Elea zijn gehele wijsbegeerte. Wij kunnen volgens hem alleen redelijk denken aan en spreken over dat wat ís. Het niet-zijn of het niet-zijnde is niet en kan dus niet gedacht worden. Evenmin kan erover gesproken worden.

Deze leerstellingen leveren geen probleem voor ware affirmaties op. We blijven immers geheel binnen de sfeer van het zijn wanneer we van Sabrina zeggen dat ze een vrouw is. Zowel Sabrina als de eigenschap vrouw-zijn behoren tot het zijn. Sabrina participeert in het zijn omdat vrouw-zijn een modus is van het zijn. Maar wat leert het dictum van Parmenides ons dan over zoiets als ware negaties? Wie bijvoorbeeld zegt “Sabrina is niet een man” lijkt te spreken over een niet-zijn. En als dat inderdaad zo is dan zijn ware negaties volgens de respectabele voorganger van Plato helemaal niet mogelijk. Want over het niet-zijnde kan niet gesproken worden. Niet-zijn kan niet coherent worden gedacht.1

Een negatief feit kan geen feit zijn

In zijn De Sofist doordenkt Plato de implicaties van de leerstellingen van Parmenides voor ware negaties. Hij tracht hierin ware negaties te behouden door ze zodanig te interpreteren dat de wijsbegeerte van Parmenides niet geschonden wordt: het zijnde is en het niet-zijnde is niet. Plato moet dus negatie gaan uitleggen in termen van positieve bepaaldheden oftewel zijnden. Maar wat is er dan in positieve zin het geval wanneer iets naar waarheid wordt ontkend? Wat maakt het – anders gezegd – waar dat Sabrina geen man is? Correspondeert de uitspraak ‘Sabrina is niet een man’ met zoiets als een negatief feit? Dat zou toch juist een flagrante schending van het dictum van Parmenides zijn? Het niet-man-zijn van Sabrina betreft immers een niet-zijn en kan dus geen feit zijn. Feiten behoren namelijk tot het zijn. Bovendien zouden negatieve feiten vreemde zijnden zijn. Wat zijn het?

Plato doet in De Sofist dan ook twee geheel andere suggesties voor de waarheidscondities van ware negaties. Neem weer de uitspraak dat Sabrina geen man is. Volgens zijn eerste suggestie is het waar dat Sabrina geen man is, omdat al haar eigenschappen verschillen van de eigenschap man-zijn. Niet-zijn wordt zo geïnterpreteerd als verschillend-zijn.
Plato’s tweede suggestie is dat de genoemde uitspraak waar is, omdat Sabrina een eigenschap bezit die met de eigenschap man-zijn onverenigbaar is. Deze tweede suggestie is echter onmiddellijk problematisch omdat onverenigbaar oftewel niet-verenigbaar een negatie betreft. Onverenigbaarheid is geen positieve bepaaldheid en behoort daarom als niet-zijnde niet tot het zijn. Spreken over onverenigbaar betreft dus alsnog een ontoelaatbaar spreken over wat niet is. Het probleem ontstaat omdat in de definitie van negatie – door te spreken over onverenigbaarheid – alsnog een beroep wordt gedaan op negatie.

Niet-zijn wordt opgevat als verschillend zijn

Toch is Plato’s tweede suggestie niet geheel van tafel. Want in ieder geval reduceert Plato niet-zijn tot iets wat als dispositie opgevat toch iets positiefs lijkt te hebben. De eerste suggestie van Plato lijkt op het eerste gezicht minder problematisch. Negatie wordt hier herleid tot verschil. Niet-zijn wordt opgevat als verschillend-zijn. Sabrina is niet een man indien al haar eigenschappen verschillen van man-zijn. Verschil is fundamenteler dan negatie. Zo beantwoordt Plato de vraag wat het geval is wanneer Sabrina niet een man is en omschrijft hij de waarheidscondities voor ware negaties op een wijze die het dictum van Parmenides niet lijkt te schenden. Door op te merken dat alle eigenschappen van Sabrina verschillen van man-zijn blijven we immers geheel binnen de sfeer van het zijn. Nergens zeggen we van iets dat het niet is. Spreken over verschillend zijn levert in tegenstelling tot spreken over niet-zijn dus geen schending van het dictum van Parmenides op. Op deze manier meent Plato een ontoelaatbaar niet-zijn adequaat te interpreteren in termen van een onproblematisch anders-zijn.

Toch is deze suggestie niet vrij van kritiek. Hoe moeten wij anders-zijn uiteindelijk begrijpen? Als niet-identiek zijn? Zo komt de negatie en daarmee een in de ogen van Parmenides ontoelaatbaar spreken over niet-zijn alsnog via de achterdeur binnen. Dit probleem acht ik echter minder groot dan dat voor Plato’s tweede suggestie. Verschil kan redelijkerwijs opgevat worden als een deel van het zijn in die zin dat bijvoorbeeld ‘verschillend zijn van een man’ een modus is van het zijn. Het is een zijnswijze. Negatie kan daarom inderdaad gereduceerd worden tot verschil.

Wat moeten we dan met eenhoorns, of God?

De vraag die zich opdringt, is wat gedaan moet worden met categorische negatieve oordelen oftewel oordelen waarbij het bestaan van iets ontkend wordt. Hierbij kunnen we denken aan het oordeel dat eenhoorns niet bestaan. Of dat God niet bestaat. In dergelijke oordelen wordt niet van iets wat ís gezegd dat het een bepaalde eigenschap mist. Er wordt daarentegen gesteld dat iets er als zodanig niet is. Dergelijke oordelen lijken een directe schending van Parmenides. We zeggen hier immers van iets dat het niet is. Maar het zijn is. Of nog anders: We spreken over wat er niet is. Maar over wat niet is kan niet gesproken worden. Het niet-zijnde is immers niet. Wat te doen? Hoe kunnen dergelijke oordelen gerepresenteerd worden op een wijze die geen overtreding van de leerstellingen van de erflater van Plato oplevert? In wat volgt zal ik een voorstel uitwerken.

Vierkante cirkel

Wat niet coherent gedacht kan worden bestaat op grond van het dictum van Parmenides niet. Want alles wat denkbaar is, behoort tot het zijn. Vierkante cirkels bestaan dus niet. Ze zijn contradictoir en kunnen dus niet eens gedacht worden. Het gaat hier om een niet-zijn en daarover kunnen we niet spreken. Maar hoe zit het nu met alles wat wel coherent denkbaar is? Hiertoe doe ik een beroep op het onderscheid tussen potentieel en actueel bestaan van Aristoteles. Alles wat gedacht kan worden, bestaat op grond van Parmenides. En al het bestaande bestaat ofwel potentieel ofwel actueel. Beide zijnswijzen sluiten elkaar onderling uit.
Als iets potentieel bestaat dan bestaat het niet actueel en als iets actueel bestaat dan bestaat het niet potentieel. Zo bestaan bijvoorbeeld eenhoorns potentieel. Blauw en rood gras bestaan ook potentieel. Jij en ik bestaan daarentegen niet potentieel. Wij bestaan actueel. En hetzelfde geldt voor de stoel waarop ik nu zit en de laptop waarop ik dit stuk momenteel schrijf. Vierkante cirkels bestaan echter niet. Ze bestaan niet actueel en zelfs niet potentieel. Vierkante cirkels zijn namelijk onmogelijk.

Vijf opties over het potentieel bestaan

Als iets potentieel bestaat dan is het in ieder geval mogelijk dat het actueel bestaat. Hoewel het niet actueel bestaat, kan het wel actueel bestaan. Omgekeerd geldt ook dat als het actueel bestaan van iets mogelijk is datgene potentieel bestaat. Alles wat actueel kan bestaan, bestaat dus potentieel en vice versa. Hoewel ‘potentieel bestaan’ iets anders betekent dan ‘actueel kunnen bestaan’ is het dus wel zo dat beide elkaar impliceren. Kunnen we zicht krijgen op wat potentieel bestaan in metafysische zin betekent? Wat zijn de waarheidscondities van de uitspraak dat iets potentieel bestaat? Hoe kunnen we de specifieke zijnswijze van het potentieel bestaan in het vizier krijgen? Ik zie vijf opties die ik hieronder kort zal bespreken.

De eerste optie is beweren dat potentieel bestaan helemaal geen zijnswijze is. Wie zegt dat eenhoorns potentieel bestaan, bedoelt slechts dat eenhoorns kunnen bestaan en meer niet. Deze optie valt echter direct af omdat het de leerstellingen van Parmenides schendt. We spreken over en denken dan immers aan iets wat er helemaal niet blijkt te zijn.

De tweede optie is beweren dat eenhoorns potentieel bestaan omdat ze bestaan als Platoons eidos of Idee. Deze optie valt ook af omdat de Platoonse eidoi abstracte objecten zijn en abstracte objecten (zoals getallen en proposities) actueel en dus niet potentieel bestaan. Bovendien is er nog een ander bezwaar. Stel dat er ooit eenhoorns actueel bestaan. Ze bestaan dan ook potentieel als Platoons Idee. Maar niets bestaat tegelijkertijd actueel en potentieel.

Een derde optie is dat iets potentieel bestaat indien het bestaat als gedachte oftewel als concept in de geest. Dit is echter ook onhoudbaar omdat gedachten in de geest mentale objecten zijn en als zodanig ook actueel in plaats van potentieel bestaan. Bovendien kan opgemerkt worden dat iets niet hetzelfde is als een gedachte eraan in onze geest. De gedachte aan Sabrina is niet Sabrina. Daarnaast ontstaat ook hier het probleem dat als er ooit eenhoorns actueel gaan bestaan volgt dat ze ook potentieel bestaan als gedachte in de geest. Dit kan niet omdat wat actueel bestaat niet potentieel bestaat.

Een vierde optie is dat potentieel bestaan een geheel unieke oorspronkelijke zijnswijze is welke op geen enkele wijze tot een andere reeds bekende zijnswijze herleid kan worden. De zijnswijze van het potentieel bestaan is enig in zijn soort. Het is een eigenstandige categorie van zijn. Deze sui generis (eigen in zijn soort) optie zouden we alleen moeten omarmen als er geen andere opties meer zijn.

Maar er is nog een vijfde optie. Iets bestaat potentieel wanneer het als ongerealiseerde Aristotelische vorm bestaat. De Aristotelische wezensvormen kennen immers twee zijnsmodi. Een vorm kan potentieel bestaan en vervolgens overgaan in een toestand van daadwerkelijk gerealiseerd en dus actueel bestaan. Uitgaande van de vormenleer van Aristoteles komt het zeggen dat eenhoorns potentieel bestaan dus neer op zeggen dat de vorm eenhoorn potentieel en niet actueel bestaat. Zo beschouwd is uiteindelijk Aristoteles en niet Plato de werkelijke erfgenaam van Parmenides.

Het is dus niet waar dat eenhoorns niet bestaan

Met al deze voorbereidende handelingen kunnen we categorische negatieve oordelen zodanig interpreteren dat er geen problemen met de leerstellingen van Parmenides ontstaan. Neem de categorische negatie ‘Eenhoorns bestaan niet’. Nu is met het begrip van een eenhoorn niets mis. In strikte zin is het dus niet waar dat eenhoorns niet bestaan. Ze bestaan uitgaande van Parmenides wel degelijk. Ze bestaan echter potentieel en niet actueel. De negatie dient daarom als volgt geïnterpreteerd te worden: ‘Eenhoorns bestaan, maar ze bestaan niet actueel’. Dit kan verkort worden tot de uitspraak ‘Eenhoorns bestaan niet actueel’ waarbij op de achtergrond de presuppositie meespeelt dat eenhoorns denkbaar zijn en dus potentieel bestaan. Dit is een negatie waarbij van iets bestaands wordt gezegd dat het een bepaalde eigenschap mist. Zulke negaties heeft Plato in De Sofist uitgebreid besproken. We kunnen op de uitspraak ‘Eenhoorns bestaan niet actueel’ dus Plato’s tweede of bij voorkeur eerste suggestie toepassen. Zo wordt niet-zijn nergens aan zijn toegeschreven en omgekeerd. Er wordt dus voldaan aan Parmenides’ dictum.

Eenhoorns bestaan potentieel

We kunnen voor categorische negaties echter nog een stapje verder gaan. De hierboven genoemde presuppositie kan in de uitspraak zelf meegenomen worden door het niet langer als een negatie, maar als affirmatie te schrijven: ‘Eenhoorns bestaan potentieel’. Deze affirmatie impliceert tegelijkertijd dat eenhoorns niet actueel bestaan en ook dat het onwaar is dat ze niet bestaan. Categorische bestaansnegaties van denkbare zaken kunnen dus het beste geschreven worden als affirmaties van potentieel bestaan. De uitspraak ‘Eenhoorns bestaan niet’ kan het beste begrepen worden als ‘Eenhoorns bestaan potentieel’. Zo ontstaat überhaupt geen enkel probleem met de leerstellingen van Parmenides. Dit is waar reflecteren op De Sofist toe leidt.

Het is dus niet zo dat God niet bestaat

Nu kan over God zinvol gesproken worden. God moet dus bestaan. Want over wat niet is, kan niet zinvol gesproken worden. De positie van de atheïst kan dus niet weergegeven worden door het oordeel ‘God bestaat niet’. Met het begrip ‘God’ lijkt anders gezegd op voorhand niets mis. God kan begrepen worden als een bewust wezen dat de eerste oorzaak van de wereld is. En dit begrip is niet contradictoir zoals het begrip vierkante cirkel. Het kan coherent gedacht worden. Maar dan is het actueel bestaan van God hoe dan ook mogelijk. God kan op zijn minst actueel bestaan. Het is dus niet zo dat God niet bestaat: God bestaat actueel of potentieel. Hieruit volgt dat een atheïst zijn atheïsme alleen zinvol op de volgende manier onder woorden kan brengen: ‘God bestaat potentieel’.

En precies deze uitspraak kan reductio ad absurdum gevoerd worden zoals ik in wat volgt zal laten zien. Aangezien God actueel of potentieel bestaat, ontstaat zo een argument voor het actueel bestaan van God dat uiteindelijk geïnspireerd is op een lezing van Plato’s denken over negatie in De Sofist. Het kan schematisch als volgt weergegeven worden:

1. God bestaat potentieel (aanname voor de reductio ad absurdum),

2. Als iets potentieel bestaat dan kan het geactualiseerd worden (eerste premisse),

3. God kan geactualiseerd worden (uit 1, 2),

4. God kan niet geactualiseerd worden door iets wat buiten God bestaat (tweede premisse),

5. God kan zichzelf actualiseren (uit 3, 4),

6. Wat geactualiseerd wordt, bestaat potentieel (derde premisse),

7. Wat geactualiseerd wordt, wordt dat door iets wat actueel bestaat (vierde premisse),

8. God kan tegelijkertijd actueel en potentieel bestaan (contradictie uit 5, 6, 7),

9. God bestaat niet potentieel (verwerping van reductio aanname uit 1, 8),

10. God bestaat potentieel of actueel (vijfde premisse),

11. God bestaat actueel (uit 9, 10).

Een uitleg van de aannames

Dit argument bestaat uit vijf premissen die ik achtereenvolgens zal onderbouwen.
Volgens de eerste premisse kan alles wat potentieel bestaat geactualiseerd worden. De idee is hier dat als iets potentieel bestaat, het actueel kan bestaan. Maar als iets potentieel bestaat en actueel kan bestaan, dan kan het dus geactualiseerd worden. Er is dan een mogelijke wereld waarin het geactualiseerd wordt.

De tweede premisse vertrekt vanuit de opvatting dat God als de grond en oorsprong van de wereld voor zijn actueel bestaan van niets anders afhankelijk is. Zou God geactualiseerd worden door iets wat los van God bestaat, dan zou God voor zijn actueel bestaan daarvan afhankelijk zijn. Zo is het echter niet. Bovendien zou iets wat God actualiseert meer fundamenteel zijn dan God zelf. Het zou ontologisch ‘groter’ zijn dan de zijnsgrond. Dat levert ook een tegenspraak op.

De derde premisse stelt dat iets wat geactualiseerd wordt potentieel bestaat. Dit is evident. Het moet in elk geval bestaan om geactualiseerd te kunnen worden. Wat onmogelijk is, kan immers niet geactualiseerd worden. Bovendien moet het potentieel bestaan. Want als het actueel bestaat is het reeds actueel en kan het dus niet geactualiseerd worden.

De vierde premisse stelt dat alleen iets wat zelf actueel bestaat iets anders kan actualiseren. Dit is een bekend scholastisch beginsel dat is gebaseerd op de gedachte dat de ontstaansoorzaak van iets ontologisch gezien nooit ‘minder werkelijk’ kan zijn dan het gevolg. Wat zelf niet eens actueel bestaat, kan daarom nooit iets anders in een toestand van actueel bestaan brengen.

De vijfde premisse is in het voorgaande reeds besproken. Het actueel bestaan van God is niet onmogelijk. Het is plausibel te beweren dat God in elk geval mogelijk actueel bestaat. God kan actueel bestaan. Wie meent dat het onmogelijk is dat God actueel bestaat en dat daarom volgt dat God niet bestaat, zal met een inhoudelijk argument moeten komen. Hij of zij zal op een logische inconsistentie in het begrip God moeten wijzen. Maar dit begrip lijkt niet op zoiets als een vierkante cirkel. Uit het begrip van een bewust wezen dat de eerste oorzaak is van de wereld volgt geen contradictie. Het is dus coherent denkbaar. En daarom behoort uitgaande van het dictum van Parmenides God tot het zijn. God bestaat potentieel of actueel.

Merk hierbij op dat het noodzakelijk bestaan van God geen deel uitmaakt van Gods definitie. Het is op voorhand immers veel minder plausibel om te denken dat een noodzakelijk actueel bestaand wezen mogelijk is. De tegenwerping dat uit het mogelijk actueel bestaan van God reeds volgt dat God actueel bestaat en dat daarmee bovenstaand Godsargument overbodig is, is dus inadequaat. Met deze laatste opmerking zijn alle vijf premissen onderbouwd. Samen impliceren ze dat God actueel bestaat.

Nog een keer: de belangrijkste redeneerstappen

Laten we de belangrijkste redeneerstappen uit het schema hierboven eveneens nalopen. Dat (3) uit (1) en (2) volgt is evident omdat het hier gaat om een eenvoudige modus ponens (redeneringsvorm met 2 premissen). Waarom volgt (5) uit (3) en (4)? God kan op grond van (3) geactualiseerd worden. Er is dus een mogelijke wereld waarin God geactualiseerd wordt.

Uit (4) volgt dan dat God aldaar niet door iets extern aan God geactualiseerd wordt. Maar er moet iets zijn dat God actualiseert. Als dat iets niet buiten God bestaat, dan moet het dus God zelf zijn. In die mogelijke wereld actualiseert God zichzelf. Maar dan kan God zichzelf inderdaad actualiseren, aldus (5). Nu zou gedacht kunnen worden dat we met de conclusie dat God zichzelf kan actualiseren reeds op een tegenspraak gestuit zijn en daarmee onze reductio ad absurdum voltooid hebben. Want niets kan toch zichzelf actualiseren? Dat is toch eenvoudigweg logisch onmogelijk? Dit is echter op voorhand niet evident. Want waarom zou iets zichzelf niet kunnen actualiseren? Waarom zou iets zichzelf niet kunnen transformeren van een toestand van potentieel bestaan naar een toestand van actueel bestaan? Voor en na de transformatie bestaat het immers, al is het initieel dan slechts potentieel.

Er zijn daarom aanvullende overwegingen nodig om tot een tegenspraak te komen. Die aanvullende overwegingen worden geleverd door (6) en (7). Neem een mogelijke wereld waarin God zichzelf actualiseert. God wordt geactualiseerd in die mogelijke wereld. Op grond van (6) bestaat God aldaar dus potentieel. En in die mogelijke wereld actualiseert God zichzelf. Op grond van (7) bestaat God aldaar ook actueel. God bestaat in die mogelijke wereld dus tegelijkertijd actueel en potentieel. God kan tegelijkertijd actueel en potentieel bestaan. Niets kan echter tegelijkertijd actueel en potentieel bestaan, zodat we in stap (8) op de gezochte tegenspraak stuiten.

De reductio aanname (1) dient daarom in (9) verworpen te worden: God bestaat niet potentieel. Op grond van (10) volgt dan in (11) dat God actueel bestaat. De claim dat God potentieel (en dus niet actueel) bestaat is derhalve onwaar. Atheïsme is zo verworpen.

Het Godsargument is gebaseerd op een buitengewoon laagdrempelig begrip van bestaan. Iets bestaat dan en slechts dan als het mogelijk is. Met het toeschrijven van ‘bestaan’ aan iets is dus nog niet veel gezegd. De vraag is dan ook niet of God bestaat. Want natuurlijk bestaat God. De vraag is of God potentieel of actueel bestaat. Vergelijk het Godsargument van Anselmus. Voor hem is de vraag evenmin of God bestaat. Want natuurlijk bestaat God. De vraag voor hem is of God in het verstand of in werkelijkheid bestaat. En waar hij beargumenteert dat God niet in het verstand, maar in werkelijkheid bestaat, wilde ik laten zien hoe uitgaande van een analoog inclusief zijnsbegrip kan worden beargumenteerd dat God niet potentieel, maar actueel bestaat.


1 Steeds zal ik de begrippen ‘bestaan’ en ‘zijn’ als synoniemen hanteren. Wat is bestaat en wat bestaat is.


Filosoof en wiskundige Emanuel Rutten bedacht al eerder een godsargument, waar hij ook op promoveerde.

5 reacties op “Hersenkraker: dit is het nieuwste godsargument”

  1. De basis van het bewijs, God is coherent denkbaar, is waardoor ik dit bewijs weinig overtuigend vindt.

    Ten eerste zou ik me afvragen of een ‘bewust wezen dat de eerste oorzaak van de wereld is’ niet zelf ook een oorzaak nodig zou hebben. De wereld heeft een eerste oorzaak, waarom God niet? Het antwoord ‘God heeft geen oorzaak nodig, daar is Hij God voor’ lijkt me een cirkelredenering.

    Bovendien kan met dit bewijs dus alleen een ‘coherent denkbare’ God worden bewezen. Dat leidt (net zoals deze bespiegeling) tot een enorm abstract verhaal dat erg ver weg staat van een persoonlijke God waar we als mensen troost, hoop en liefde uit kunnen putten. Laat staan een God zoals die in religies wordt voorgesteld, met al zijn emoties, wonderen, spreken, kwaliteiten en ook beperkingen.

    Met dit bewijs kan een atheïst hoogstens ertoe worden gedwongen om een ‘eerste oorzaak’ toe te geven, waar verder geen enkele definitie aan te plakken is. Elke verdere definitie van die eerste oorzaak zal God immers minder coherent denkbaar maken…

  2. Knap staaltje denkwerk! Een ding blijft me ontglippen… Niet alles wat potentieel bestaat wordt ook daadwerkelijk geactualiseerd, hetzij door zichzelf, hetzij door iets dat reeds actueel bestaat. God kan zichzelf actualiseren – maar volgt uit bovenstaande verhandeling noodzakelijk dat dit ook gebeurd is? Stel dat God potentieel is gebleven: dan zijn stelling 6 en 7 i.c. niet relevant, en vervalt daarmee de tegenspraak. Mis ik een denkstap, of denk ik in de verkeerde categorie?

    1. Beste Pieter,

      God kan zichzelf helemaal niet actualiseren. Sterker nog, niets kan zichzelf actualiseren. Dat vormt een zeer belangrijke bouwsteen van mijn argumentatie.

      Groet,
      Emanuel

  3. De belanrijkste denkfout zit hem in wat zou volgen uit stap 9. “God bestaat niet potentieel (verwerping van reductio aanname uit 1, 8),”
    Namelijk, als je tot een absurditeit komt uit de veronderstelling dat iets “potentieel” is, heb je nog altijd zoals met alles twee mogelijke redenen waarom het potentieel-zijn ervan absurd zou zijn. Namelijk ofwel, omdat het dus actueel is, ofwel, omdat het dus gewoon toch niet kan. De dwaling die hier begaan wordt is dat de bewijslast op die tweede mogelijkheid wordt gelegd, zoals Rutten zelf zegt “daarvoor zal men met agrumenten moeten afkomen”. Waarom, echter? Beiden zijn nog steeds mogelijke uitkomsten. Merk op dat de tweede uitkomst helemaal geen inconsistentie oplevert: okee, God bestaat dus niet, we kunnen ons Hem wel voorstellen in al Zijn fictieve zelf-actualiserende glorie, maar die kan Hij net niet actualiseren omdat hij niet bestaat.
    De onderliggende fout is een verwarring over de vele mogelijke betekenissen van de dualiteit mogelijk/noodzakelijk. Stel dat ik op de boot zit richting NYC om het vrijheidsbeeld te bezichtigen. Maar halverwege is het vernietigd door terroristen, zonder dat ik het te weten kwam. Vanuit mijn door redelijkheid verantwoorde redeneren is het “mogelijk” dat ik het vrijheidsbeeld ga bezichtigen. Vanuit die modaliteit van “mogelijkheid” is er immers geen reden het niet te overwegen. Weet ik veel? Maar ondertussen is het ontologisch wel onmogelijk geworden dat ik het zal bezichtigen.
    Hetzelfde geldt voor God: we vinden hier geen reden om aan te nemen dat God niet bestaat, maar daaruit volgt helemaal niet dat God “actualiseerbaar” zou zijn. Ons inzicht is immers beperkt. Zich kunnen voorstellen dat iets kan bestaan is dus geen reden om te concluderen dat het bestaat, zelfs niet als het de eigenschap heeft niets anders dan zichzelf nodig te hebben om tot stand te komen. We moeten hierin eigenlijk nog een stap verder gaan: we moeten beseffen dat het al-dan-niet-bestaan van God, en daarmee het al-dan-niet-mogelijk bestaan, mogelijk in de zin waarin we zeggen dat een ronde cirkel mogelijk en een vierkante cirkel onmogelijk is, uiteindelijk volgt uit het bestaan-of-niet van God op zich. Dus niet zozeer uit de mate waarin wij ons dat bestaan kunnen voorstellen. Ondanks Rutten’s ijver worden we hier gereduceerd tot de berusting: ’t is wat het is, en niet anders.
    Nu lijkt het misschien alsof Rutten de God-skeptici enigszins teruggedrongen heeft, indien mijn conclusie het beste tegenargument zou zijn. Alsof we hierdoor vanalles hebben toegegeven, waardoor God waarschijnlijker wordt. Maar eigenlijk is dat helemaal niet zo.
    En dat wordt heel concreet duidelijk als we de alternatieven overwegen.
    Het argument van Rutten geldt wel degelijk voor elke specifieke manier waarop we ons God zouden voorstellen, met dezelfde kracht. Dus ja; haal het Vliegende Spaghetti Monster maar weer uit de kast. Merk op dat principes van “schaarsheid van verklaring” hier niet van toepassing zijn. Dat wil zeggen, in een inductief onderzoek ga je nooit overbodige uitzonderlijke dingen veronderstellen. Dus als je bewijzen je zeggen dat de dader van een misdrijf een man met een snor uit Denderleeuw is ga je niet veronderstellen dat die eerst op Mars woonde ofzo, ook al is dat consistent met de bewijzen. Hier verliezen we echter serieus de pedalen, als we Rutten volgen. Zijn argument is te krachtig om dit principe vol te houden, immers: als we het argument toepassen op, ik verzin maar wat, God-maar-hij-verschijnt-elke-pinksterdag-op-de-maan-in-gedaante-van-Toon-Hermans, volgt precies dezelfde conclusie van actualiteit precies en specifiek voor dat voorwerp. Of ja, dus ook voor het Spaghetti Monster. Wat is immers het probleem? De Goddelijke kracht zou nog net wel eventjes kunnen toegepast worden voor charmante verschijning op de maan of wat dan ook. Indien God als dusdanig potentiëel voorstelbaar is dan dat dus ook. Dat voorwerp als dusdanig blijft echter zelf-actualiserend per definitie en dus zou het dan ook actueel zijn volgens de redenering van Rutten. Op zich geen probleem, lachwekkendheid is immers geen tegenargument. Maar wel een probleem is dat hetzelfde zou volgen voor voorwerpen die eigenschappen hebben die daar onverenigbaar mee zouden zijn. Bvb God-die-verschijnt-in-cirkelvormige-gedaante én vierkantvorm.
    De conclusie lijkt me duidelijk. De logische mogelijkheid dat dergelijke gedrochten zouden bestaan in ons universum, zoals Rutten “mogelijkheid” hanteert in de ene zin, garanderen niet de mogelijkheid in de andere, eigenlijk ontologische zin.
    Zodus moeten we precies dat deel schrappen van zijn argumentatiekracht, waarop het Godsbewijs steunt. Niet toevallig komen we zo ook terug tot een nuchtere benadering die schaarste van verklaringen wel toelaat. En wat vinden we dan als meest schaarse versie van dat voorwerp dat zichzelf actualiseert? Niet meer of minder dan de wereld zelf, de verzameling van al wat nu toevallig eens het geval wil zijn, het universum dat haar eigen drijfverend impliceert en dus omvat. Geen baard, geen halo, geen wolkende hemeltroon, geen magie, geen alomtegenwoordige geest, geen geestelijke attributen zoals scheppingsdrang of bijzondere interesse in de mens, enzovoort.

    Verder zou ik kunnen zeggen dat ik het dictum van Parmenides absurd vind, toch zoals het hier dan wordt voorgesteld. Immers als het ontkennen van het bestaan van iets tot een diskwalificatie leidt is het idd nogal makkelijk om het bestaan van God te verdedigen… Mij lijkt het nogal voor de hand te liggen dat mensen wel de cognitieve eigenschap hebben dingen te kunnen ontkennen en met goede redenen.
    Maar eigenlijk blijkt dit ook helemaal niet zo relevant te zijn voor de eigenlijke logische vorm van Rutten’s betoog dus doet het niet zo ter zake.

    1. Excuseer, waar ik dus zei “God-die-verschijnt-in-cirkelvormige-gedaante én vierkantvorm.” bedoel ik dus: zowel God in een vierkante verschijning zou voorstelbaar zijn, als ook God in een cirkelvormige verschijning, het probleem zijnde dat beide dan geactualiseerd zouden worden. Hetgeen de absurditeit aantoont niet zozeer van eenderwelk van die gods concepten op zich maar de actualisering door voorstelbaarheid en zelfactualisering als dusdanig, hetgeen ons dwingt terug te vallen op klassieke noties van schaarste etc…
      Ik plaatste het net en merkte toen hoe slecht ik dit gekwantificeerd had.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *